Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebezigd tegen de subsidie, op de begrooting toegekend. Daaruit zou dus blijken dat te onrecht zoodanige subsidie op de begrooting verschijnt. Hiertegen, Mijne Heeren, moet ik doen opmerken, dat er een overschot moet zijn, zal die instelling kunnen voldoen aan de verplichtingen die ze op zich heeft genomen, en waaraan zij steeds heeft voldaan, iedereen op te nemen die zich aanbiedt. Zij kan niet zeggen, en heeft dat dan ook nimmer gedaan: „de middelen veroorloven mij niet u te ontvangen". Zij moet, naar den regel dien zij zich heeft gesteld, allen ontvangen. Van daar dat er overschot moet bestaan; zoodat het overschot niet als reden kan worden gebruikt om te beweren dat wij in zoodanigen toestand aan dergelijke inrichting een subsidie niet behooren te verleenen.

Het tweede woord betreft het verschil dat er tusschen de rekening schijnt te bestaan van den geachten voorsteller van het amendement, en hetgeen ik heb voorgelegd uit de stukken, van wege het bestuur der instelling ingezonden aan het Departement van Binnenlandsche Zaken. De geachte spreker heeft gesproken van een batig slot over 1849, niet van ƒ 2274, maar van ƒ 1179. Te dezen aanzien vind ik de opmerking in de nota die ik heb medegebracht, dat er in het jaar 1848, toen de levensmiddelen bijzonder duur waren, een nadeelig slot was van ƒ 1095. Dat nadeelig slot heeft men gedekt met het batig slot van 1849, en nadat dit tekort van 1848 was gedekt, is als batig slot overgebleven, hetgeen de geachte spreker heeft vermeld.

Het amendement van den lieer Luijben wordt met 41 tegen 20 stemmen aangenomen.

Art. 65. Rijksarchieven te 's-Gravenhage. Archiefgebouw. De heer van Akerlaken wilde een catalogus van liet archief doen samenstellen. De verkoopwinsten, zeide hij. zouden de kosten dekken.

De geachte spreker (de heer van Akerlaken) heeft twee punten behandeld: vooreerst, het gebouw waarin het Rijksarchief zou behooren te worden geplaatst. Dat het tegenwoordig gebouw daartoe niet geschikt is, daarover kan geen verschil van gevoelen bestaan, maar de geachte spreker schijnt te onderstellen dat de Minister slechts heeft te kiezen om een beter gebouw aan te wijzen.

Het Gouvernement bevindt zich, helaas, ook ten aanzien van andere inrichtingen, in groote verlegenheid; het getal beschikbare gebouwen is veel te klein, en derhalve kan aan dat verlangen niet zoo gemakkelijk worden voldaan als de spreker onderstelt.

Ik moet herinneren dat men nog niet eens heeft een gebouw voor den Hoogen Raad, dat hooge college waardig.

Het tweede punt, door den geachten spreker in 't midden gebracht, betreft den catalogus van 's Rijks archief.

Ik durf niet zeggen, Mijne Heeren, of er een volledige catalogus

Sluiten