Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duizend gulden. Wanneer men nu, Mijne Heeren, zoo als ik liet doen, uit die rekeningen de uitgaven neemt voor de drukloonen, voor de proefnemingen, voor de teekeningen, voor de briefporten, voor de prijsgelden, voor de bureaukosten, voor de tijdschriften, voor het bind- en ürukwerk, voor het vuur en licht, voor de kosten van de algemeene vergadering en voor onvoorziene uitgaven, wanneer men de cijfers, welke men tot bestrijding dier onderscheidene posten op die rekeningen vindt, samentrekt, dan verkrijgt men eene som van ƒ 6000. Maar de overige ƒ 5000, waaraan zijn zij besteed? Aan traktementen van secretarissen, aan presentiegelden voor de leden, in 1848 aan het jaarlijksch diner, dat in 1849 niet meer voorkomt; en ten laatste nog aan eenige kleine posten van reiskosten naar Den Haag. Die posten maken te zamen vijf duizend gulden uit; doch geen dier posten naag, mijns inziens, onder de wezenlijke uitgaven worden geteld. Mijne Heeren, ik geloof, in tegenspraak met hetgeen de geachte spreker uit Tiel, die het amendement ondersteunde, heeft gezegd, vooreerst, dat het niet te pas komt aan de secretarissen van klassen van een dergelijk lichaam eene bezoldiging te verstrekken. Ik geloof dat hij, die een dergelijken dienst doet in een dergelijk lichaam, dien dienst zonder eenige vergoeding behoort te doen. Heeft hij zelf uitgaven, hij kan daarvoor natuurlijk schadeloosstelling vragen, maar het schijnt mij niet behoorlijk, althans niet noodig, eene bezoldiging, een zuiver inkomen aan de eer van zulk eene betrekking te verbinden. Ook kan, naar mijne meening, het Instituut zeer wel blijven leven zonder dat de secretarissen worden bezoldigd. De presentiegelden bedragen eene aanmerkelijke som, zij maken ƒ 2450 uit. Ik herinner mij, Mijne Heeren, dat ik, toen ik, vele jaren geleden, de eer had gehad eene voorlezing te doen, eenigen tijd daarna een pakket ontving uit Amsterdam. Ik opende het, en vond toen geld, en daarbij genoteerd dat het was presentiegeld. Ik hield de toezending voor eene vergissing. Ik vervoegde mij bij andere leden van het Instituut, aan wie ik vroeg wat dit beteekende? „Ja, dat was presentiegeld; men was gewoon het te ontvangen." Ik betuigde mijne bevreemding, en ik moet erkennen niemand gevonden te hebben, die dit gebruik niet even vreemd achtte. Een overgroot aantal leden van het Instituut woont te Amsterdam; de leden van het Instituut, ook buiten de hoofdstad, zijn in den regel niet minvermogende lieden. Welnu, zouden die leden, om daar eene vergadering bij te wonen, om eene voorlezing te doen, niet bij machte zijn de reiskosten te dragen, die onder het presentiegeld, daarenboven niet alleen door de leden die buiten Amsterdam, maar zelfs door hen die binnen Amsterdam wonen, genoten, werden vergoed?

Naar mij voorkomt, Mijne Heeren, kan men dit geene noodige uitgave noemen, geene uitgave, die een Minister ten behoeve van eene dergelijke inrichting op de begrooting mag brengen. Dit was het gevoelen van mijnen voorganger, en ik moet erkennen het is het mijne evenzeer.

Sluiten