Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke punten die zicli ook mocht uitbreiden. De voorgaande spreker en de spreker uit Utrecht (de heeren Groen en van Goltstein) verplichten mij evenwel dat stilzwijgen te verbreken. Die beide sprekers hebben op nieuw getoond, hoe zeer de meest eenvoudige, de meest onschuldige woorden voor verkeerden uitleg vatbaar zijn, althans door sommigen daarvoor vatbaar worden gevonden. De rede inzonderheid van den laatsten spreker (den heer Groen) heeft mij een gezegde herinnerd van, ik geloof, een lid der inquisitie, wegens dat gezegde beroemd. Hij zeide: „geef mij een letter en ik zal den man doen veroordeelen".

De laatste spreker heeft in de laatste plaats gewaagd van eenige bedenkingen, die ik bij het begin der discussie in de vorige zitting aan de Vergadering heb onderworpen, zonder aan het punt, waartoe die bedenkingen betrekking hadden, een overgroot gewicht te hechten. Er was sprake van de loting, en wanneer die zou plaats hebben. Of de loting spoedig worde gehouden, of zij worde uitgesteld, het is op zich zelf geene zaak van beginsel; doch daar de zaak ter sprake was, scheen het mij toe dat er geene redenen genoeg waren om de loting vroeger te doen plaats hebben dan noodig was.

En welke redenen heb ik nu bijgebracht? In de eerste plaats heb ik gezegd, dat door de loting ongelijkheid in den toestand der leden zou worden gebracht. Daarop heeft de laatste spreker gezegd: „die bedenking is in den wortel afgesneden door het antwoord, door den redenaar uit Overijsel gegeven, die beweerde dat niets anders zou gebeuren, dan wat in den normalen toestand altijd plaats vond". Ik moet dit ontkennen; die redenaar heeft, zoowel als de laatste spreker, misgetast in de opvatting van mijne bedenking. In den normalen toestand zal die ongelijkheid niet plaats vinden; dan zal ieder vier jaar zitten. Nu daarentegen zal de helft maar twee jaren zitten en de andere vier. Hier is derhalve eene ongelijkheid, die zich later, in den gewonen toestand, niet zal voordoen.

Het eenige nu dat ik gezegd heb is, dat het wenschelijk was dat die ongelijkheid niet vroeger dan noodig is, wierd opgedrongen.

In de tweede plaats heeft de spreker uit Zwolle even als die uit Utrecht eene zware beschuldiging tegen den Minister van Binnenlandsche Zaken ingebracht. Die Minister had zich veroorloofd te spreken van onafhankelijkheid ten aanzien der kiezers. Het was onmogelijk, had die Minister gezegd, na de loting niet te denken aan de aanstaande verkiezingen; en de laatste spreker heeft dit in verband gebracht met de handelwijze, met de gedraging van de leden dezer Kamer bij de behandeling van wetten; waaruit dan ieder zou moeten afleiden dat, bij die behandeling, bij de stemming over voorstellen van wet, de leden dezer Kamer zich, volgens de meening van den Minister, door hoop of vrees om al of niet te worden herkozen, lieten besturen.

Mijne Heeren! in hetgeen ik heb gezegd lag niets minder dan zulk

Sluiten