Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De spreker zeide: „ja, men heeft wel om een verkeerd geplaatst cijfer in eene wet, eene wet voorgedragen, dat was nog veel minder noodig". Maar de spreker heeft vergeten aan te voeren, dat dit niet geschied is volgens het inzicht der Regeering; maar dat die verandering ten gevolge van een door de Eerste Kamer gemaakt bezwaar noodzakelijk is geworden. Het is mij voorgekomen, en ik heb de vrijheid genomen dit bij de discussie in de Eerste Kamer op te merken, het is mij voorgekomen dat die zwarigheid niet behoorde te wegen; maar ze woog bij de Eerste Kamer; men heeft verlangd dat de wet op dat punt herzien werd; het scheen mij, dat niemand zich bij de uitvoering, bij de uitlegging der wet konde vergissen, maar de Eerste Kamer heeft er aan gehecht, en dit heeft aanleiding gegeven dat men tot eene herziening is gekomen, naar mijn oordeel, op zich zelve niet noodzakelijk.

Wanneer nu de geachte spreker zegt, dat art. 115 „onwedersprekelijk duidelijk is in zijnen zin, en anderen zeggen, het artikel is onwedersprekelijk duidelijk in den tegenovergestelden zin, dan zal ik daarover niets behoeven te zeggen, maar alleen het besluit mogen trekken, dat er twijlel is; twijfel namelijk wanneer niet iedereen op zich zeiven wordt beschouwd, maar de een tegenover den ander wordt gesteld. Bij twijfel nu over de uitlegging eener wet, zal zij, geloof ik, mogen worden verklaard, op de wijze, gelijk de geachte spreker uit Dordrecht heeft gezegd, in den zin, die met de Grondwet het meest overeenkomstig is.

De heereu Groen en van Goltstein komen terug.

Mijnheer de Voorzitter. Hetgeen mij bewogen heeft over dit punt te spreken, naar aanleiding van de eerste rede van den spreker uit Zwolle (den heer Groen van Prinsterer), was, op te komen tegen den toeleg, uit de meest eenvoudige woorden gevolgtrekkingen af te leiden naar willekeur van hem die de woorden hoort of leest. De geachte spreker heeft eerst gezegd, dat in deze Kamer wel een protest behoorde te worden gehoord. De geachte spreker heeft nu, zoo het mij voorkomt, erkend, dat de zin, door hem aan mijne woorden gehecht, enkel moest worden gevonden in de gevolgtrekkingen, door hem uit die woorden afgeleid. Ik moet er bij voegen, dat, naar mijn inzien, niemand, die zich inderdaad onafhankelijk gevoelt, zich woorden zal aantrekken, waardoor over het algemeen het besef, het geweten van die onafhankelijkheid in de leden der Kamer miskend mocht schijnen. Ik geloof, dat de waarlijk zelfstandige man, indien al de woorden door een minister of door een lid der Kamer gesproken, in zoodanigen zin konden worden opgevat, weigeren zou, ze in dien zin te verstaan. Ik geloof, dit zou zijn de wijze van handelen, de wijze van verstaan van hem, die zich volkomen onafhankelijk weet en gevoelt.

Sluiten