Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stoomboot, zeide hij, zal gedurende den eersten tijd enkel ten voordeele van eenige weinigen zijn. Maar wiens schuld zal dit wezen? Het zal de schuld zijn van hen die achterblijven. En wanneer nu al de reeders zeggen, zooals zij verleden jaar met daden getoond hebben: wij willen achterblijven, het Gouvernement vervroege den termijn, wij zullen onze schepen niet vroeger in zee zenden; — dan ben ik met vreemd van het denkbeeld, dat, indien het eerste jaar door weinigen met eenig voordeel vroeger isgevischt, die weinigen, die het eerste jaar vroeger uitliepen, het tweede jaar door nog eenigen en het derde jaar misschien door de groote meerderheid zullen worden gevolgd.

Gemeentewet. De kieswet en de provinciale wet, de regeling van de vertegenwoordiging der landsgemeente en der provincie, waren in werking. De gemeentewet had der gemeentelijke vertegenwoordiging hare plaats in het geheel en hare bevoegdheid aan te wijzen. Het ontwerp den 3den Maart bij de Tweede Kamer ingediend, kwam den 12den Mei in openbare beraadslaging.

13 Mei. Algemeene beraadslaging. De bezwaren door verschillende sprekers, de heeren Wintgens, van Lijnden, van Goltstein, Mackay en Groen van Prinsterer, tegen het ontwerp geuit, waren in hoofdzaak tweeërlei. Men oordeelde, in navolging van de verflagen door de Staten van Zuid- en Noordholland uitgebracht, dat, werd het ontwerp tot wet, de vrijheid der gemeenten ten zeerste zoude worden belemmerd. Men eischte meer zelfstandigheid voor de gemeente, maar scheen veeleer onafhankelijkheid op het oog te hebben. Waar toezicht van hoogerhand was voorgeschreven, weid dit centralisatie, dwingelandij, geheeten. In stede van der gemeente haren rang te geven in de eerste plaats als onderdeel van den staat, vervolgens als zelfstandig lichaam in den staat, stelde men zich dezen voor als een samenrijgsel van souvereine genootschappen. De tweede grief werd daaraan ontleend, dat het ontwerp voor alle gemeenten gelijk was, terwijl men tusschen groote en kleine gemeenten verschil gemaakt verlangde te zien. Antwoord aan den heer Groen van Prinsterer.

Ik verberg niet, Mijne Heeren, het is voor mij een hetiglijk oogenblik, waarop eindelijk een Ontwerp van Gemeentewet bij deze Kamer in discussie kwam. Nauwlijks is er een deel van ons publiek recht, dat mijne belangstelling, denkende en doende, sedert jaren, zóó sterk heeft getrokken. Ik ben overtuigd dat de herziene Grondwet geen gewichtiger onderwerp kent dan dat dezer wet; ik ben overtuigd, dat er nauwlijks een grooter weldaad aan de natie kan bewezen worden, dan door hetgeen deze wet tracht te bereiken.

De bedenkingen, door onderscheidene sprekers in de zitting van gisteren tegen het ontwerp ingebracht, zullen, meen ik, naar het doel van die sprekers zei ven, niet onjuist worden gebracht tot twee hoofden of klassen. Het eerste verwijt is centralisatie; het tweede uniformiteit. Ik zal onder die twee hoofden eerst samenvatten hetgeen mij voorkomt daaronder te behooren, en ten laatste nog eenige bijzondere opmerkingen beantwoorden.

Sluiten