Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het stelsel dat hij voorstaat, niet onnatuurlijk. Hij ziet alles wat tot stand gebracht wordt met leede oogen aan, omdat het niet overeenkomstig is met de beginselen die hij is toegedaan. Hij verlangt, zoolang die beginselen niet zegevieren, het tot stand brengen van iets anders te bestrijden, dit op of tegen te houden. Dit is eene natuurlijke taktiek van den geaehten spreker; maar van de andere zijde is het aan dengene, die, in een anderen geest, meent dat men den tijd besteden moet, niet kwalijk te nemen, dat hij al hetgeen voor het oogenblik van geen dadelijke toepassing kan zijn, ter zijde laat, en er niet door weoscht te worden belemmerd.

De geachte spreker heeft in de laatste plaats, vóór dat hij gekomen is tot het beantwoorden der twee hoofdpunten, gewezen op een woord, dat lang geleden is uitgesproken, op een woord, dat ik gesproken heb, zoo ik mij niet bedrieg, elf jaren geleden in deze Kamer, toen ik mij schijn veroorloofd te hebben, te zeggen, dat men niet regeerde met herinneringen. Dit heeft de geachte spreker nu, elf jaren later, vastgeknoopt aan deze stelling, dat mijn beginsel breekt met de geschiedenis. Mijne Heeren, ik beweer zoo iets noch gezegd, noch bedoeld te hebben. Wanneer men zegt: men regeert niet met herinneringen, dan bedoelt men met herinneringen iets anders dan een vroeger stelsel, in zoover dit ook op het oogenblik nog werkt, of gevolgen heeft gehad, die nu nog als levenskracht kunnen worden beschouwd. Is een vroeger stelsel nog kracht, dan is het meer dan herinnering, dan kan het een beginsel, een drijfveer zijn van den tegenwoordigen tijd. Maar datgene wat inderdaad voorbij is, hetgeen niet anders dan als herinnering bestaat, daarmede regeert men niet. Dit heb ik gemeend, en ik zou dit bijna nog gelooven.

De geachte spreker is, toen hij in de laatste plaats de twee hoofdpunten heeft behandeld , inzonderheid opgekomen tegen die grenzcnlooze uitbreiding, die in de memorie van beantwoording aan het begrip van verordening gegeven werd. Door die grenzenlooze uitbreiding werd elke verordening onderworpen aan de goedkeuring van het Gouvernement. Dit is eene uitdrukking die de geachte spreker niet zal bezigen bij nader inzien. Aan de goedkeuring van het Gouvernement is geen enkele verordening onderworpen, maar de verordening kan enkel worden geschorst of vernietigd. De geachte spreker heeft gezegd, dat wanneer het begrip van verordening zoover wordt uitgestrekt, dat het elke regelgevende beschikking bevat, — dat dan het karakter van autonomie verloren is. Nu verzoek ik de Vergadering te letten op hetgeen de Grondwet verordent in de nfdeeling, die handelt van de Provinciale Staten. In art. 131 zegt de Grondwet: „Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van het provinciaal huishouden door de wet overgelaten". Dit is dezelfde uitdrukking, die in art. 140 gebezigd wordt ten aanzien van de gemeentebesturen. Daarop volgt nu in art. 133: „De Koning heeft bet vermogen de besluiten der Staten, die met de wetten of het

Sluiten