Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hem, die geroepen wordt alleen de bijzondere belangen voor te staan, het algemeen belang kunnen verzaken. In de eerste plaats dienen de belangen van het geheel te gelden, met in achtneming tevens van de belangen van elk deel.

Ik kom nu tot de onderscheidene amendementen, die met betrekking tot de bepaling van het getal raadsleden zijn voorgedragen. Die bepaling schijnt mij eene zaak, die van zooveel zijden en uit zooveel oogpunten kan worden beschouwd, als er gemeenten in ons Land zijn. Ieder zal, naar mate van de meer bijzondere kennis die hij van eenige gemeente heeft of meent te hebben, wenschen dat het getal zóó worde bepaald als met het oog op die gemeente noodig schijnt.

Wat heeft het Gouvernement tot deze bepaling geleid? Vooreerst meende het, dat, in zoover het cijfer der raadsleden door de wet moest worden bepaald, die bepaling zoo min mogelijk willekeurig behoorde te zijn, en die willekeur werd naar zijne meening het best vermeden, wanneer men, van een minimum tot een maximum opklimmende, de schaal van de bevolking volgde. Ook de wet moet willekeur vermijden. In de tweede plaats heeft, ik verberg het niet, op mij grooten invloed gehad de meening, die, geloof ik, ook door de ondervinding wordt bevestigd, dat groote vergaderingen voor de behandeling van dergelijke aangelegenheden, als tot den werkkring van den gemeenteraad behooren, niet de gelukkigste zijn. Door de vergadering te vergrooten, zal men, in den regel, het getal der onverschilligen, misschien der onbruikbaren vermeerderen. Ik heb zelf het geluk gehad jaren lang van dergelijke vergadering deel uit te maken, en durf aan een ieder vragen of niet, bij elke vergadering van een zeker getal leden, de werkzaamheden inderdaad door een klein deel van hen worden verricht. Nu zal, naar mate het getal leden kleiner is, ieders taak zwaarder worden, ieder wordt meer opgeroepen om aan de werkzaamheden deel te nemen, en ik zal er dit bijvoegen, — de keuze der kiezers wordt keuriger. Men weet dan dat men, door één lid of twee leden bij de anderen te voegen, een aanmerkelijk gewicht in de schaal legt. Maar, wanneer men kan rekenen dat een deel der vergadering, dat 10, 12 of 20 leden werkelooze personen zijn in den Raad, zal dan aan de keuzen zooveel gewicht worden gehecht, als de zaak inderdaad verdient? Hier komt bij, dat tot dusverre de besturen ten platten lande uit 7 of 9 leden bestonden, en dat dit getal grooter zou moeten zijn, is mij, bij de administratieve ondervinding die ik heb kunnen opdoen, niet gebleken. Bij dat alles kwam nog de bedenking, ontleend uit den regel, voorkomende in art. 48 van het ontwerp, den regel, dat de Raad niet mag beraadslagen of besluiten, zoo niet de grootste helft van het bij art. 4 bepaald getal leden tegenwoordig is. Deze bepaling drukt inzonderheid op kleine gemeenten, waar men tot afdoening van zaken geene vergadering belegt, dan wanneer men weet dat meer dan de helft der leden aanwezig zal zijn. Hoe grooter het getal bijeen

Sluiten