Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieiop stelt de lieer Storm van 's-Gravezande voor de zinsnede te lezen, zooals zij in de tweede plaats door den Minister werd voorgedragen.

Mijnheer de Voorzitter! Ik heb bedoeld den eenvoudigsten weg in te slaan. Op den weg, waarop wij nu zijn, wordt de heer De Man onteigend van zijne beide amendementen. De heer De Man heeft twee afzonderlijke amendementen op het laatste gedeelte van dit artikel voorgesteld. Ik heb nu gezegd dat ik tegen het eerste amendement geene hoofdbedenking had, en dat ik meende dat wanneer dit amendement wierd aangenomen, het artikel moest luiden gelijk het in de eerste plaats door mij aan den heer griffier is opgegeven. Ik heb gezegd dat ik bedenking had tegen het tweede amendement door den heer De Man_voorgesteld, maar dat, zoo dit amendement de goedkeuring van de Vergadering mocht wegdragen, het mij in den geest van dat amendement zou voorkomen, dat het laatste gedeelte van het artikel zou moeten luiden gelijk het in de tweede plaats aan den heer griffier is opgegeven. En nu doe ik aan de Vergadering eenvoudig deze vraag: of het niet de kortste en de meest eenvoudige weg is, dat wij ons houden aan de twee amendementen door den heer De Man afzonderlijk voorgesteld, en die twee amendementen dan ook brengen afzonderlijk in beraadslaging, of althans in afzonderlijke stemming.

Nadat de heer Godefroi voorstelde de zinsnede te doen luiden zooals zij in de eerste plaats door den Minister werd voorgelezen, trok de heer De Man zijne beide amendementen , thans vervangen door die van de heeren Storm van 's-Gravezande en Godefroi, in. De heer v. Zuylen van Nijevelt, van oordeel dat, zooals de amendementen nu ontworpen zijn, het aan een lid van den Raad zoude verboden worden aan de overeenkomst deel te nemen, ook indien hij optreedt vooi den lïaad, stelt voor te lezen: „. . . . middellijk noch onmiddellijk deelnemen .... aan het onderhandse!) pachten van goederen of inkomsten der gemeente, aan leveringen van voorwerpen, of aan werken ten behoeve deigemeente, ten ware die in het openbaar zijn aanbesteed".

Het bezwaar, door den geacliten spreker tegen de redactie van het artikel, zooals het nu was voorgesteld, geopperd, mag, dunkt mij, niet leiden tot de verandering, die door hem wordt verlangd. Dat er zoodanig misverstand als de geachte spreker bedoelt, uit deze redactie zou kunnen voortspruiten, dat het zou kunnen leiden tot het misverstand, dat een lid van den Raad niet, als vertegenwoordiger van den Raad, zoodanige overeenkomst zou mogen sluiten, of de overeenkomst niet te zijnen overstaan zou mogen worden gesloten, — mij dunkt dit is onmogelijk van het oogenblik af, dat uit de gemeentewet blijkt, dat zoodanige onderhandsche overeenkomst van wege den Raad kan worden gesloten. Het artikel ziet niet op hetgeen men als lid van den gemeenteraad verricht, maar op hetgeen leden van den gemeenteraad

Sluiten