Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het amendement vond bijval bij den heer van Goltstein omdat het, naar zijne meening, strekken zoude om eene beperking in de vrije werking van den gemeenteraad tegen te gaan. Art. 140 der Grondwet eischt, volgens hem, niet meer dan dat de verordeningen betretl'ende de regeling en het bestuur van de huishouding dei- gemeente aan Gedep. Staten worden medegedeeld.

Ik mag de rede van den geachten spreker uit Utrecht (den heer v. Goltstein) niet zonder tegenspraak laten, vooral niet omdat het hier een hoofdbeginsel van deze wet, het recht verstand van de Grondwet, geldt. Ik zal evenwel kunnen volstaan met een paar woorden.

De geachte spreker meent, dat in dit artikel eene beperking ligt van de vrijheid der gemeentebesturen. Ik meen dit te mogen ontkennen. Wanneer art. 28 voorschrijft, dat de plaatselijke verordening, welke den rooster van aftreding vaststelt, aan Gedeputeerde Staten zal'moeten worden medegedeeld, dan kan daarin geenerlei beperking van de vrijheid liggen, hoe breed men die vrijheid ook gelieve uit te meten. Maar nu zegt de geachte spreker — en dit is het hoofdpunt —, de Grondwet wil de regeling en het bestuur der gemeenten aan de' gemeentebesturen overgelaten hebben; zij wil alleen overlegging aan de Provinciale Staten van die verordeningen, welke betrekking hebben tot die regeling en dat bestuur. Het is de bedoeling — gelijk het de strekking is der geheele wet, omdat het de strekking is onzer staatsinstellingen —, zooveel mogelijk waarborgen te hebben voor de richtige uitvoering van de bij de wet gestelde bepalingen, en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering der wet zooveel mogelijk te verzekeren. Overlaten versta ik niet in dien zin, dat de Grondwet de verantwoordelijkheid zou opheffen van de macht, die met de uitvoering der wet belast is, dat de gemeentebesturen vrij zouden zijn de wet nu eens niet en dan eens wel uit te voeren, maarzoo, dat ieder blij ve op zijne plaats en in zijnen kring. Verantwoordelijkheid moet ook verzekerd zijn daar, waar de uitvoering in handen is van de gemeentebesturen, en daartoe kan het toezicht van de Gedep. Staten over de handeling dier besturen dienen. Men mag in de lagere sferen van den Staat de uitvoering van de wet niet zonder toezicht laten, om eerst in de bovenste sferen waarborgen te zoeken voor hare richtige uitvoering. Dit heeft ook de geachte spreker eenigszins gevoeld, en hij is geëindigd te wijzen op den burgemeester, zeggende: dat is de man, die zou kunnen voorzien in de gevallen, waarin, volgens het stelsel dezer wet, de Gedep. Staten zouden moeten voorzien. Ik kan echter volstrekt niet inzien, dat daarom de hier voorgeschrevene mededeeling achterwege zou moeten blijven. Ik kan het niet wenschelijk achten, dat in alle gevallen waarin de Regeering wenscht, dat Gedeputeerde Staten het toezicht over de gemeentebesturen uitoefenen, dat toezicht aan den burgemeester zou worden overgelaten. De burgemeester toch is, volgens het voorstel der Regeering, in de eerste plaats gemeente-ambtenaar, en hem het toezicht op te dragen over de handelingen van het gemeentebestuur

Sluiten