Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet alleen die van kleine gemeenten. Voor het recht om in den Raad al of niet zitting te hebben, een recht, dat uitsluitend van de wet afhangt, moet de wet den meest volledigen waarborg geven.

Geeft men, zegt de geachte spreker, deze tusschenkomst toe, geeft men toe, dat de Gedeputeerde Staten het initiatief nemen, dan zal het van de bijzondere begrippen van Gedeputeerde Staten over den persoon op wien het aankomt, afhangen, of een lid al dan niet zal worden toegelaten. Bij dit betoog heeft, dunkt mij, de spreker twee zaken voorbijgezien. Vooreerst, dat in het geval van art, 35 de Gedep. Staten niet alleen gehouden zijn van het voornemen, om ambtshalve de zaak te onderzoeken, bericht te geven aan den Raad, maar ook, dat zij binnen een zekeren tijd hun besluit, met redenen omkleed, ter kennis van den Raad moeten brengen. Ik vraag, of door een college van Gedep. Staten onder die redenen zoodanige bijzondere begrippen ten aanzien van den persoon zouden kunnen worden opgenomen, als waarvan volgens den geachten spreker de al of niet-toelating zal afhangen. I)e geachte spreker heeft in de tweede plaats voorbijgezien dat, na zoodanige beslissing van Gedeputeerde Staten, de Raad of de niet-toegelatene, in die uitspraak van Gedep. Staten niet berustende, gedurende veertien dagen bij den Koning in beroep kan komen. De waarborg van de wet voor hare uitvoering berust in de eerste plaats bij Gedeputeerde Staten, en die uitvoering is vervolgens gesteld onder de bescherming van de ministerieele verantwoordelijkheid. Eigenzin van Gedeputeerde Staten is alzoo in zoodanige gevallen, zoo het mij voorkomt, nauwelijks denkbaar. De Gedeputeerde Staten, hunne betrekking tot al de gemeenten van de provincie in aanmerking genomen, staan ook te hoog, dan dat zij zich door dergelijke begrippen, als de geachte spreker bedoelde, zouden laten leiden; en lieten zij zich al leiden, de zaak, aan den Koning onderworpen, zou gewis bij dezen niet opgaan.

De Ged. Staten, zegt de geachte spreker verder, zullen in dit geval zijn rechter en partij. Ik antwoord: de Ged. Staten doen niet anders dan zich de uitvoering van de wet aantrekken. Het onderzoek, of de bepalingen van de wet niet zijn voorbijgezien, waarborgt die uitvoering, en daartoe zijn de Ged. Staten verplicht, en moeten zij verplicht zijn. Het komt mij voor, dat men slechts het oog behoeft te vestigen op de meeste gemeenteraden in ons Land, niet alleen in de vele kleine, maar ook in de groote gemeenten, om de mogelijkheid te zien, dat door den Raad, in strijd met de wet, eene beslissing wierd genomen tot toelating van een persoon, dien men gaarne in zijn midden zou hebben, en dat men zich onderling verbond om bij Ged. Staten niet in beroep te komen. In zoodanig geval zou, ten gevolge van dergelijke overeenkomst, de wet niet worden uitgevoerd, gelijk in een ander geval het omgekeerde, ten gevolge van tegenzin van het gemeentebestuur, zou kunnen plaats hebben. Dit moet, dunkt mij, de wetgever niet dulden.

Sluiten