Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 38. Ken benoemde mag geen zitting nemen alvorens over zijne toelating definitief is beslist. De heer van Hall betwijfelde de grondwettigheid van dit verbod. De waking van een raadsbesluit wordt dan „voorloonig" Geschorst, terwijl de Grondwet slechts repressieve middelen, vernietigine of schorsing, kent. 6 h

Ik meen Mijne Heeren, dat de bedenking, door den geachten redenaar uit de hoofdstad geopperd, in de eerste plaats betreft niet dit art'kel maar art. 33 van het ontwerp. Ten gevolge van art. 33 zal het besluit van den Raad soms niet uitgevoerd worden, alleen omdat ,efn ld Va" c|en Raaa of de burgemeester eene reclame indient bij Gedeputeerde Staten. Art. 33 zegt: „Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag, waarop de Raad heeft beslist, staat het vrii aan den niet-toegelatene, aan elk lid van den Raad, en zoo de burgemeester geen lid is, ook aan dezen, tegen de beslissing van den Raad bezwaren by Gedeputeerde Staten schriftelijk in te dienen". En nu zegt art. 38: „De nieuw inkomende leden aanvaarden hunne betrekking^niet alvorens de in art. 33 en art. 35, 2de zinsnede, bepaalde tijd verstreken of is de zaak bij Gedeputeerde Staten of bij Ons aanhangig, door Gedeputeerde Staten of door Ons hunne toelating bevolen zij" De twee gevallen, genoemd bij art. 38, de gevallen namelijk dat de bes issing van Gedeputeerde Staten wordt uitgelokt door anderen of dat c e Gedeputeerde Staten van zei ven tot eene beslissing komen, zijn dus bij het artikel gelijkgesteld, en zij moeten volkomen gelijkgesteld blijven. Het kan niet zijn, dat in het eene geval zitting worde genomen eerst nadat de tijd voor de reclame geheel is verloopen, en dat in het andere geval, wanneer de Gedeputeerde Staten kennis geven, dat zij zich de zaak hebben aangetrokken en tot het onderwerp eener nadere beslissing willen maken, de betrekking niettemin dadelijk worde aanvaard. Dit zoude, dunkt mij, niet gepast zijn.

De geachte spreker zal van hetzelfde gevoelen zijn als ik, dat het evenmin gepast als in andere opzichten boven bedenking kan worden geacht een lid van den Raad eerst zitting te laten nemen en hem later, ten gevolge van een besluit van Gedeputeerde Staten of van den Koning, weder te verwijderen.

Art. 40. Vergaderingen van den Raad. Het ontwerp kende de bevoegdheid, den Raad bijeen te roepen, toe aan den burgemeester en, zoo de gemeente minder dan 20,000 zielen telt aan 3, anders aan 5 leden van den Raad. De heer De Man wilde ook aan het college van burgemeester en wethouders uie macht verleenen.

Ik durf al de redenen, door den geachten voorsteller van het amendement bijgebracht, niet geheel beamen. Ik zal nu daar laten het laatste geval, waarop de geachte spreker zich beroepen heeft en dat zeker een bijzonder geval is, moeilijk te trekken tot een algemeen betoog. De geachte spreker heeft zich beroepen op datgene, waaraan

1-2*

Sluiten