Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vaststellen op welken dag, op welk uur die zal plaats hebben. Het beleggen is juist in die bepaling van tijd gelegen, en dat beleggen zal ter algemeene kennis gebracht worden.

Wat nu betreft het amendement, voorgesteld door den geachten spreker uit Friesland (den heer Jongstra), ik zal afwachten, of de ergadcring de voorgestelde voorziening noodig keurt. Mij is zoodanig voorziening tot dusverre niet noodig voorgekomen. Niet dat ik zoodanige

willekeur van den burgemeester niet verderfelijk en verkeerd zou vinden,

maar ik acht de voorzorg onnoodig, omdat ik mij het ontstaan van en het volharden by dergelijke willekeur inderdaad niet kan verbeelden Mocht die vooiziening noodig gekeurd worden, dan zou het, meen ik beter zijn, dat in het reglement van orde de wijze wierd bepaald' waarop de vergadering zal worden belegd, indien de burgemeester aan' z.jne verphchting, hem by art. 41 opgelegd, niet mocht voldoen. Ik geloof, dat dan zoodanige bepaling van het reglement in allen -evalle

uit Z°U Ver<li?f? b°Ven hetgeen door den jachten spreker

uit friesland is voorgesteld.

Het araendement van den heer De Man wordt met 62 tegen 2 d-.t van den heer .longstra met 44 tegen 20 stemmen verworpen.

ve^lf' i° T"U' Ir °°k °Ver a"dere 'la" 'le in de °p|0epingsbriefjes vti melde zaken beraadslagen en besluiten. De strekking van een amendement

van den heer De Man was, dit alleen toe te staan „wanneer«/, van de tegenwoordig znnde leden dit noodig keuren en het niet strekt om op een vroeger

genomen beslu.t terug te komen". Nog verder ging een amendement van den lieer van Nispen.

Ik moet beginnen op hetgeen de voorsteller van het eerste amendement gezegd heeft, te antwoorden, dat ik steeds wanneer een amendement wordt voorgesteld, vermoed dat het eene verbetering van de wet zal zijn. Ik ben te zeer overtuigd van de moeilijkheid van het onderwerp, te zeer overtuigd van den goeden wil der leden om mede te werken ten einde de wet beter te maken, dan zij wellicht van wege het Gouvernement is voorgesteld. Ik kan evenwel tot dusverre seene verbetering zien in deze twee amendementen.

De geachte spreker uit Nijmegen heeft gezegd, dat de tweede alinea in liet artikel gebracht was, op het verlangen van de Provinciale Statenvergaderingen. In het minste niet, Mijne Heeren. Sommige ovincia e Statenvergaderingen hebben gevraagd of door het voorschrift van de eerste alinea de vrijheid uitgesloten werd ook over andere onderwerpen te beraadslagen. Die vrijheid nu is mii steeds voorgekomen een gemeen recht te zijn. Het is het recht van iedere vergadering, om aanstonds over dit of dat onderwerp te beraadslagen wanneer zij goedvindt, daartoe te besluiten. Maar om den twijfel die te kennen werd gegeven, te doen ophouden, daarom alleen is de' 2de a mea in het artikel gebracht. Reeds uit dien hoofde zou ik of het

Sluiten