Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijgebracht. Hij heeft zich niet kunnen ontveinzen, dat de aanneming van het amendement in de staatsbegrooting eene zeer aanmerkelijke verandering zou brengen. Ik durf nu niet begroeten hoeveel meer het eindcijfer der begrooting alsdan zou beloopen; maar in allen gevalle de som zou met klein zijn. Evenwel zou, meent de geachte spreker! door de schatkist minder behoeven te worden betaald, dan nu door de gemeenten gezamenlijk. Ik geloof, dat deze stelling aan twijfel onderhevig is. Wanneer de bezoldiging van den burgemeester uit de gemeentekas wordt betaald, en geregeld zal worden op den voet als nj deze wet is voorgesteld, dan zal die bezoldiging worden afgemeten naar de middelen der gemeente. Dezen maatstaf zouden wij missen wanneer wij de bezoldiging van den burgemeester op de staatsbegrooting brachten; en ik geloof, dat het gemis van dien maatstaf ten aanzien van de bezoldiging van den burgemeester in vele gevallen te zijnen voordeele, maar met ten voordeele van de algemeene som zou uitvallen.

De geachte spreker heeft zich verder beroepen op de analogie met e provinciale wet. Hij heeft gezegd: volgens de provinciale wet wordt de bezoldiging van den commissaris des Konings, van de Gedeputeerde .Staten, en van den griffier der Staten gekweten uit de schatkist. Mijne Heeren, dat kon niet anders, omdat de Grondwet niet veroorlooft eene scheiding te maken. De Grondwet veroorlooft alleen enkel provinciale uitgaven ten laste van de provincie te brengen, maar gemengde uitgaven uitgaven ten behoeve van de provincie en tevens van het Rijk, moeten' gekweten worden uit de schatkist. Hier, ten aanzien van de gemeenten is men niet gebonden, gelijk men door de Grondwet gebonden is ten aanzien van de provinciën. De vergelijking schijnt mij dus niet te kunnen dienen tot versterking van het voorstel van den geachten spreker.

De geachte spreker heeft gezegd: de burgemeester is een commissaris des Konings. Ik zal later, wanneer de bevoegdheid der gemeentebesturen in discussie zal komen, gelegenheid vinden dit tegen te spreken, althans voor zooveel den zin en den omvang betreft, waarin de geachte spreker van dien titel heeft gewaagd. Ik meen — en in dit opzicht verschil ik van hem —, dat de burgemeester in de eerste plaats is en moet zijn gemeente-ambtenaar. Die gemeente ambtenaar moet de wet uitvoeren; hij moet uitvoeren maatregelen van algemeen bestuur; uitvoeren bevelen, voortvloeiende uit de wet of tot maatregelen van algemeen bestuur betrekkelijk. Maar dit is een plicht, die niet berust op den burgemeester alleen, die niet alleen berust op het college van burgemeester en wethouders; maar het is een plicht, die ook berust op den Raad, gelijk hij rust op al de ingezetenen. De gemeente — en ik meen die uitdrukking reeds vroeger te hebben gebruikt — is, naar mijn inzien, niet zoo als de geachte spreker zich voorstelt, in de eerste plaats eene bijzondere zelfstandige corporatie. De gemeente is, in de eerste plaats, gronddoel van den Staat, een publiek lichaam; en de gemeente in haren kring is, in de eerste plaats, gehouden mede te werken tot

Sluiten