Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ait. 183. Verantwoording, wegens liet dagelijksch bestuur, van burgemeester en wethouders aan den Raad. De lieer Jongstra meent, 7.00 men maatregelen neemt voor het geval, dat burgemeester en wethouders weigeren uitvoering te geven aan provinciale verordeningen of maatregelen van algemeen

bestuur, dan is evenzeer voor liet geval, dat zij niet zullen uitvoeren verordeningen of beschikkingen van den Raad, voorziening te treffen.

De geachte spreker stelt, Mijnheer de Voorzitter, dat de burgemeester en wethouders nalatig blijven uit te voeren verordeningen of in het algemeen besluiten van den Raad. Is tegen dit geval voorzien? Tegen dit geval is voorzien door art. 89, hetgeen de geachte spreker heeft aangehaald, vergeleken met art. 183. Art. 183 vestigt de verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders wegens het dagelijksch bestuur aan den Raad. Ten gevolge van art. 89 kunnen, wanneer de wethouders niet geven de verlangde inlichtingen, — en zoo niet mocht worden uitgevoerd eene verordening, een besluit van den Raad, zullen gewis inlichtingen in den Raad worden gevraagd, — die wethouders door den Raad vervallen worden verklaard van hunne bediening. In zooverre is voorzien, en het komt mij voor dat hiermede genoeg is voorzien. Hetgeen meer zou kunnen worden verlangd, zou zijn, dat bij de wet wierd aangewezen een middel, waardoor ten uitvoer werd gelegd hetgeen burgemeester en wethouders weigeren ten uitvoer te leggen. In zoodanig geval is voorzien, wanneer het geldt de uitvoering van wetten of van algeineene verordeningen, bij art. 126. Maar is het nu noodig, dat hier ook worde voorzien, en zoo het al noodig is, zou dan zoodanig middel hier kunnen worden gesteld, zonder groot gevaar voor verwarring? Noodig komt het mij niet voor; want ik kan mij ook op dit punt niet voorstellen dat burgemeester en wethouders, aansprakelijk zijnde, in den Raad zouden kunnen weigeren, zouden kunnen volharden in het weigeren om eene verordening of een besluit uit te voeren, waarin zij in den aanvang nalatig waren en waarover zij nu in den Raad worden aangesproken. Ik kan mij dergelijke hardnekkigheid in een volstrekt niet verdedigbaar plichtverzuim niet wel voorstellen. Is men evenwel van een ander gevoelen, meent men dat burgemeester en wethouders, ondanks en in weerwil dat zij sterk worden aangesproken, in weerwil dat de Raad de wethouders vervallen kan verklaren, — dat zij, ondanks dat alles, soms volharden zullen in de niet-uitvoering, zoodat men zal kunnen zeggen: er wordt niet uitgevoerd, althans niet binnen een betamelijken tijd, en mocht men dus gelooven dat daartegen moest worden gewaakt, dan vraag ik: kan daarin binnen den kring van het gemeentebestuur zelf worden voorzien, op eene wijze die niet zal leiden tot verwarring? Er is wel niet anders in te voorzien, dunkt mij, dan door aan den Raad te geven eene bevoegdheid om in zoodanige gevallen te doen, hetgeen volgens de wet de plicht is van burgemeester en wethouders. De geheele Raad of een gedeelte daarvan zou dan tegen den regel van de wet aan, TiioumccKK, Parlementaire redevoeringen, 185U—1851. -jo

Sluiten