Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luidt: „De politic wordt binnen vijf jaar door de wet geregeld. Tot op de invoering der wet zijn aan den burgemeester opgedragen alle bemoeijingen die betrekkelijk dit onderwerp bij wetten, reglementen van algemeen bestuur of plaatselijke reglementen, bestaande op bet tijdstip van de invoering der tegenwoordige wet, waren opgedragen aan het collegie van burgemeester en wethouderen of aan burgemeester en assessoren, of aan den burgemeester, voor zooverre omtrent die bemoeijingen bij de tegenwoordige wet niet anders is voorzien." Nu geloof ik, dat het behoud van den tegenwoordigen toestand, gedurende 5 jaren, op zeer vele punten in strijd zou komen met de werking van deze wet. Ik behoud mij echter voor dit aan tc toonen, indien bet noodig mocht zijn, dan wanneer inderdaad het betrokken artikel 290 in deliberatie zal worden gebracht.

Het antwoord van den Minister heeft de heeren Provó Kluit, van Heiden Reinestein en Metman niet voldaan. Zij wijzen op de ongelukkige bestaande organisatie der politie, en wenschen eene algemeene politiewet, welke o. a. duidelijk /.al aanwijzen liet verband tussrlien de Rijks- en gemeentepolitie en tusschen de politie dei- gemeenten onderling. Zij zeggen, dit ontwerp praejudicieert op die wet; eene verwerping der artikelen, ineenen zij, zoude aan eene spoedige algeheele regeling bevorderlijk zijn.

Men is ontevreden — en dit is inderdaad de hoofdtegenwerping, of liever alle tegenwerpingen komen daarop neder — men is ontevreden met de tegenwoordige inrichting van de politie, en wel met die algemeene werking van de politie, die aan de Rijkspolitie behoort. Men is ontevreden met die inrichting en die werking, en daarom wil men nu gecnerlei regeling toegeven van de gemeentepolitie. Men wil, ik zeg niet op mij, maar men wil op mijn wetsontwerp, op de gemeente-inrichting, wreken, hetgeen men heeft in te brengen tegen de tegenwoordige inrichting en werking van de algemeene politie; van de algemeene politie, die volstrekt niet tot mijn departement behoort.

Ik zal eerst volgen de punten, opgegeven door den geachten spreker, afgevaardigde uit Gouda, die het laatst heeft gesproken, en ik zal daarna eenige hoofdpunten samenvatten.

De geachte spreker uit Gouda heeft gezegd: „er moet zijn een behoorlijk verband tusschen de Rijkspolitic en de gemeentepolitie en dat verband ontbreekt". Mijne Heeren, ik ontken dit niet: maar is dit nu eene reden, om de regelen te verwerpen, die in dit ontwerp voor de gemeentepolitie zijn opgenomen, en die nergens anders behooren te worden gesteld dan in deze wet?

„Zoo dat verband moet worden gesteld" heeft de geachte spreker verder gezegd, „dan kan dit niet in de gemeentewet worden gedaan, maar moet dit geschieden in de algemeene politiewet." Maar die algemeene politiewet, antwoord ik, zou inbreuk maken op de zelfstandigheid, op de bevoegdheid van de gemeentebesturen, indien zij de hier gestelde regelen niet aannam.

Sluiten