Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

publick cn voor de leden van den Raad, zoodat men verschillende tijden zal moeten stellen 0111 dat onderzoek te kunnen doen plaats hebben; verschillend voor de ingezetenen en voor de leden van den Raad. Wanneer ik dit alles bijeenvoeg, dan geloof ik den tijd van ééne maand voor alk gemeenten voor te kort te mogen houden. Ik laat nu nog daar dat de leden van den Raad in den loop van het onderzoek, ten gevolge van bezwaren, ingediend door het publiek, na eigen inzage der voorgelegde begrooting, correspondentie zullen moeten voeren, onderzoeken zullen moeten instellen, al hetgeen wellicht niet zal kunnen afgeloopen zijn vóór het einde van de maand, althans niet vóór het tijdstip waarop de Raad zou moeten vergaderen om de begrooting in beraadslaging te nemen en daarover te besluiten. Ik geloof dus dat men beter voor den dienst der gemeenten zal zorgen, wanneer men dit tijdperk ruimer stelt. Dit zal inzonderheid beter zijn voor de kennisneming van het publiek, waarvoor de tijd van 8 dagen — cene verkorting, die het noodzakelijk gevolg is van de inkorting van twee maanden tot ééne maand — in den regel niet lang genoeg zal zijn. Men heeft in 8 dagen soms geen tijd, het weder kan slecht zijn, men is uit de stad. De tijd van 8 dagen zal dus, om het belangstellend gedeelte van het publiek uit te lokken, tot kennisneming van de begrooting en van de daarbij behoorende stukken, in den regel een te korte termijn zijn. Men zal, het korte van den termijn tot voorwendsel nemende, niet onderzoeken, en het voorname doel van deze wet: publiciteit, zal worden gemist. Die voorafgaande publiciteit, die tot voorlichting van den Raad zal moeten dienen, zal niet in voldoende mate verkregen zijn.

De geachte spreker uit Arnhem (de heer Mackay) heeft, indien ik hem wel begrepen heb, als een gevolg van het amendement beschouwd, dat er meerder tijd zou zijn voor de Gedeputeerde Staten. Ik wenschte wel, dat aan Gedeputeerde Staten meer tijd kon worden geschonken, maar ik kan uit het gedane voorstel dezelfde gevolgtrekking niet maken. De termijn aan Gedeputeerde Staten toegestaan blijft onveranderd.

Die geachte spreker heeft ook nog gevraagd of er tijd genoeg zal zijn tot het opmaken der kohieren, en hij heeft eene tweede vraag daarbij gevoegd, die ik niet volkomen juist heb begrepen en welke ik hem verzoeken zal nog eens te willen herhalen. Beide vragen hebben intusschen meer betrekking tot een volgend artikel, en ik zal die kunnen beantwoorden wanneer de beraadslaging daarover zal worden geopend.

De lieer De Ma» komt terug. Zoude, vraagt de lieer Mackay, de tijd tot aanbieding en behandeling der begrooting niet vroeger gesteld kunnen worden, zóó dat aan Gedeputeerde Staten meer tijd werd gegund tot onderzoek?

Ik durf niet voorstellen, Mijnheer de Voorzitter, den termijn van aanbieding en behandeling der begrooting nog verder in het jaar terug te stellen. Ik durf dat niet doen, omdat men dan zou vervallen in een

Sluiten