Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet gemakkelijk, en voornamelijk op zoodanige punten van comptabiliteit blijlt zij in den regel op hare meening staan. Nu vinden de Gedeputeerde Staten iets niet goed, de Raad vindt het wel goed, en wanneer de Raad zich ten aanzien van de geopperde bedenkingen niet vereenigt met het gevoelen van de Gedeputeerde Staten, blijft de rekening slapen, vermits er niet, gelijk bij de begrooting, een onmiddellijke drang bestaat om vast te stellen. Wij zouden dan in het geval komen, waarin wij sedert 30 of 40 jaren verkeerden, dat rekeningen tien of vijftien jaren niet gesloten bleven liggen. Dit, geloof ik, moet op alle wijzen worden vermeden.

Maar nu de bedenkingen op den inhoud? Deze dunkt mij, kunnen zijn van tweederlei aard: Gedeputeerde Staten beweren of dat op de rekening iets moet worden gebracht hetgeen is weggelaten; öf omgekeerd, dat iets van de rekening moet worden weggelaten, dat er op is gebracht. Ik zal daarvan twee voorbeelden bijbrengen en, mij dunkt, ook daaruit zal blijken, dat de vaststelling door de Gedeputeerde Staten eer tot eene spoedige afdoening zal leiden, meerdere waarborgen zal opleveren en in het stelsel van de wet noodzakelijk is.

1°. Ik stel het geval, dat Gedeputeerde Staten beweren dat op de rekening gebracht is, wat daarop niet behoorde voor te komen. Ik verzoek u, Mijne Heeren, in te zien art. 213, dat zegt in de drie eerste alinea's: „Buiten de begrooting kan geen uitgaaf geschieden, dan met afzonderlijke, voorafgaande magtiging van Gedeputeerde Staten. In buitengewone gevallen echter van dringenden spoed kan de Raad tot het doen van zoodanige uitgaaf besluiten, mits zijn daartoe te nemen, met redenen to omkleeden besluit terstond aan Gedeputeerde Staten inzendende. Hij wijst tevens de middelen tot dekking aan. De uitgaat door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, wordt aan de begrooting toegevoegd. Welnu, de uitgaaf is niet goedgekeurd door Gedeputeerde Staten, maar de Raad heeft de uitgaaf geleden. — Gedeputeerde Staten blijven nu vorderen, dat die uitgaaf uit de rekening verdwijne en zij hebben gelijk; in de rekeningen mag de uitgaaf niet opgenomen zijn. Ten gevolge v;in de niet-goedkeuring dier uitgaaf door Gedeputeerde Staten zullen de gevolgen ontstaan die bij het slot van art. 213 zijn vermeld.

2°. Het andere geval, dat ik stel, is dat Gedeputeerde Staten meenen, dat van de rekening moet wegvallen eene daarop gebrachte uitgaaf, hn hier moet ik u wijzen op een van die gewichtige gevallen die met de aansprakelijkheid samenhangen, vermeld in art. '226. Ik lees daar: „Burgemeester en wethouders worden wegens uitgaven, door hen bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden of die ter kwader trouw zijn aangewezen op een post, waarmede die uitgaven niet overeenstemmen," enz. Welnu, de Raad zegt: „ik lijd die uitgaaf niet in de rekening, want die is gebracht op een post, waarmede de uitgaaf niet overeenstemt."

Sluiten