Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar Gedeputeerde Staten meenen het tegendeel, zij zeggen dat de Raad de zaak verkeerd begrijpt, en dat de uitgaaf met dien post wel overeenstemt.

In die beide gevallen moet het oordeel van Gedeputeerde Staten stellig beslissen. Gedeputeerde Staten zijn onpartijdig; het is niet te denken, dat van hen zou kunnen voortkomen een oordeel, dat voortsproot uit gunst voor den een of den ander, en ten nadeele ware van de gemeente. De Raad daarentegen is in dergelijke gevallen inderdaad partij. Nu zal een van die voorbeelden zich voordoen. Gedeputeerde Staten zullen zeggen: wij kunnen de rekening niet goedkeuren, omdat er op is gebracht wat daarop niet behoorde, of weggelaten is wat daarop moet voorkomen; want gij, Raad, begrijpt verkeerd dat de daarop te brengen uitgaaf niet op den post zoude moeten gebracht worden. Gedeputeerde Staten keuren al zoo de rekening niet goed Wat zal nu het gevolg zijn, indien de Raad bij zijne meening blijft volharden? Kr zal stremming in den dienst ontstaan, want de onmiddellijke, dadelijke noodzakelijkheid om tot eene vaststelling te komen, bestaat in vele gevallen niet en kan niet bestaan, zooals zij ten aanzien van de begrooting plaats vindt. Zoo men derhalve de definitieve vaststelling aan Gedeputeerde Staten overlaat, zal men hier hebben een volkomen onpartijdig onderzoek, de zaak zal stellig worden beslist, de zaak zal zeker worden afgedaan. Volgens den geachten voorsteller van het amendement, zullen Gedeputeerde Staten niet vaststellen; zij zullen zich moeten bepalen tot goed- of afkeuren. En dit systeem zal eene verandering brengen in het stelsel van art. 227, ofschoon die geachte spreker op dat artikel geen amendement heeft voorgesteld. Volgens art. 227 zal de Koning au fond kunnen beslissen, en dit, geloof ik, is inderdaad noodzakelijk. Men lette er wel op, dat uit de vaststelling der rekening groote gevolgen kunnen voortvloeien voor burgemeester en wethouders, soms ook voor leden van den Raad, en voor den ontvanger. En om die personen onder den druk en onder de dreigementen van die mogelijke gevolgen langen tijd te laten, is voor den dienst hoogst

bedenkelijk, en ten aanzien van die personen gewis onbillijk. Volgens art. 227 dus, samenhangende met de andere hier voorkomende bepalingen, zal de Koning au fond beslissen. Maar zoo nu dat aangenomen wordt, hetgeen de geachte spreker wil, wat zal dan het geval zijn? Ik stel dat door Gedeputeerde Staten een besluit genomen is, waarbij de rekening wordt afgekeurd. Nu zal de Koning niet au fond kunnen beslissen. Men kan den Koning het-recht niet. geven te beslissen, wanneer de Gedeputeerde Staten niets anders zullen kunnen doen dan goed- of afkeuren; dat zou eene anomalie zijn. De Koning zal dus niet, gelijk het ontwerp van wet wil, op beroep van burgemeester en wethouders, van den Raad of den ontvanger kunnen beslissen gelijk Hem goeddunkt. Hem zal niets anders overblijven dan de vernietiging i)f schorsing van het besluit van Gedeputeerde Staten. Maar dan

Sluiten