Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gemeentc-opcenten tot het maximum, in dit wetsontwerp gesteld worden opgevoerd, ƒ 13.23'/, meer betalen. En zoo ik nu van deze' i 13.23'/, aftrek hetgeen die aangeslagene aan aeeijnsen op brood, vleesch en dergelijke minder zal moeten betalen, wanneer, tengevolge van de vermindering der opcenten op de aeeijnsen, die behoeften minder duur zullen worden, dan zal het verschil in meer — zoo er verschil overblijft zich tot enkele guldens bepalen. En dat nu die weinige guldens méér den ingezeten van de hoofdstad, van de eerste stad van het land, zouden nopen die stad te verlaten om eene mindere buurt op te zoeken, ik geloof niet dat het aannemelijk is. Men voegt er bij, ook, naar het schijnt, als eene reden van aandrang, dat erin 1850 te Amsterdam 392 huizen ledig stonden. Het is mij echter voorgekomen , dat een getal van 392 huizen een klein getal is voor eene stad als Amsterdam. Die stad schijnt mij dan toe wel bevolkt te zijn naar de gelegenheid tot wonen, die zij aanbiedt.

Nu volgt het gedistilleerd. Er is, bij het antwoord op de bedenkingen van het verslag, vanwege het Ministerie een ontwerp voor Amsterdam medegedeeld, een ontwerp zooals mogelijk, in het stelsel van het wetsontwerp, de belastingen daar zouden kunnen worden hervormd. Zonder te zeggen, dat zij aldus behooren, dat zij slechts op die wijze kunnen worden hervormd, heeft men in bedenking gegeven één weg, zooals meer andere wegen te vinden waren. Men heeft onder andere gezegd,, de belasting op het gedistilleerd zou kunnen worden opgevoerd tot 100 opcenten. Daarop is in de nota van Amsterdam vooreerst geantwoord met een bezwaar, ontleend aan de ondervinding van het jaar 1825. Toen had men de belasting op het gedistilleerd vermeerderd en die vermeerdering van belasting heeft ten gevolge gehad eene vermindering van ontvangst. Maar, Mijne Heeren, wat is er in 1825 te Amsterdam gebeurd? Men heeft daar de belasting, die bedroeg ƒ8.40, eensklaps bijkans verdubbeld en gebracht tot f 15.50. Het was wel volstrekt onmogelijk, dat eene dergelijke plotselinge rijzing, dat deze verdubbeling van het belastingbedrag niet eene groote vermindering te weeg bracht althans eene groote teleurstelling voor de regenten van Amsterdam,' met betrekking tot de opbrengst. En wat is nu in bedenking gegeven' vanwege het departement? Tegenwoordig bedraagt de belasting op het gedistilleerd te Amsterdam, met inbegrip van het zegelrecht, 78*/, opcenten, en nu heeft men voorgesteld, dat die som verhoogd'worde tot 100 opcenten. Wat zal die verhooging te weeg brengen? Zij zal te weeg brengen, dat per vat ƒ 2.55, uitmakende iets meer dan 2'/. cent per kan, meer zal worden betaald. Zou deze verhooging nu van dien aard zijn, dat de sluikerij zoo ontzaglijk zal toenemen; zou die verhooging vergeleken mogen worden met die, welke in 1825 zeer natuurlijk tot teleurstelling heeft geleid?

Met den wijn is het eveneens gelegen. Voor den wijn wordt nu per vat aan belasting betaald ƒ10.50, het zegelrecht daarbij gerekend,

Sluiten