Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal toch niet vreezen dat hare huishouding publiek worde, dat de gronden waarop hare uitgaven en belastingen berusten, zullen worden onderzocht. Het schijnt mij volstrekt niet toe, dat het inzicht in de deugdelijkheid van die gronden zou daarstellen hetgeen men noemt een greep in de autonomie, in de zelfstandigheid der gemeenten. Met de invoering van de gemeentewet zullen nieuwe toestanden ontstaan, zegt de geachte spreker. Pe uitgaven zullen meerder of minder wezen dan thans, en die nieuwe gemeentebesturen zullen dus een tijdlang in onzekerheid verkeeren of zij zullen moeten vragen dat hunne gemeenten onder die gemeenten worden opgenomen, ten aanzien van welke afwijking bij de wet zal verleend worden. Mijne Heeren, het komt mij voor dat zoo iets aan de beoordceling van de gemeentebesturen gerust kan worden overgelaten; het kan zijn, dat een gemeentebestuur een tijdlang weifelt; het zal dan onderzoeken de uitgaven en de bronnen van inkomsten; het zal nagaan of op de uitgaven kan worden bezuinigd, maar kan dat niet, en is het dan volstrekt onmogelijk de behoeften te dekken op eene van die wijzen welke bij dit ontwerp van wet zijn aangenomen, dan zal ten gevolge van die uitkomst van het onderzoek, eene vraag gericht worden aan het Gouvernement, Ik kan niet inzien, dat in zooverre in de toepassing van art. 255 eenig bezwaar zou gelegen zijn. Het komt mij voor, en hiermede zal ik eindigen, dat het geheele betoog van den geachten spreker, het vroegere en het tegenwoordige betoog, door dit art. 255 geheel moet zijn vervallen. Want waarop berust het artikel? Daarop, dat de invoering van dat systeem der wet in sommige gemeenten moeilijkheid zou hebben. En wanneer de geachte spreker van sommige gemeenten spreekt, dan bedoelt hij alleen Amsterdam. Ik wil nu niet ontkennen, dat Amsterdam voor meer dan ééne gemeente kan tellen; ik mag lijden dat men, van Amsterdam sprekende, zegt: wij, in het meervoud, maar het gelde ééne of het gelde meerdere gemeenten, art. 255 heeft blijkbaar de gelegenheid geopend, voor het oog van ieder de gelegenheid blootgelegd, dat wanneer eene gemeente verdient in dien staat te worden geplaatst, dat eene afwijking van deregels der wet mogelijk wordt, dit dan zal kunnen geschieden. Derhalve, zoo het bezwaar tegen deze regels ontleend is aan de onoverkomelijke moeilijkheid om ze in deze of gene gemeente in te voeren, dan zal dat geen bezwaar zijn. vermits ten aanzien vnn die gemeente vnn het stelsel der wet zal kunnen worden afgeweken.

Art. 240. De bijzondere soorten van plaatselijke belastingen. Amendement van den lieer Huguenin als laatste alinea aan art '240 toe te voegen: „Geene dei in alinea 2, 3, 4 en 5 van dit artikel genoemde belastingen, noch ook die op andere voorwerpen van verbruik, worden echter geheven voor dat de plaatselijke accijns op het binnenlandsch gedisteleerd en den wijn, tot liet bedrag van de hoofdsom van den Rijksaccijns daarop is opgevoerd".

De heer van Hasselt beveelt het amendement van den heer Provó Kluit (zie hiervóór hlz. Ü43) aan.

Sluiten