Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keuren in zijn geheel, en ik zou de goedkeuring van zoodanige belasting, die strekte om uitsluitend de uitwonende grondeigenaren in de behoeften der gemeente te laten voorzien, aan den Koning niet voordragen, gelijk ik geloof dat niet licht eenig minister dit doen zou. De eerste regel van rechtvaardigheid en billijkheid brengt, gelijk ook het beginsel is van deze wet, mede, dat de lasten door allen gelijkelijk gedragen worden. Men zal dus zeggen: de grondeigendom is geheel in handen der uitwonende ingezetenen, en dus moogt gij wel 5 opcenten leggen, of 10 opcenten, zoo dit de plaatselijke omstandigheden medebrengen, maar gij zult niet verder gaan, en de Koning zal niet goedkeuren een ontwerp van belasting, dat die grondeigenaren te hoog zoude bezwaren. Dat is, geloof ik, hetgeen men verwachten mag van ieder rechtvaardig van ieder billijk Gouvernement.

2 Juni. Art. 24*2.

Ik heb de eer voor te stellen, dat in de 2de alinea van art. 242, in plaats van de woorden: „achter deze wet gevoegde tabel", worde gelezen: „bij deze wet gevoegde tabel". Dat is, zoo ik mij wel herinner, de uitdrukking, die in de provinciale en kieswet is aangenomen. Door deze veranderde lezing zou misschien worden te gemoet gekomen aan hetgeen het geachte lid uit Zeeland, de heer van Eek, omtrent dit artikel wenscht in het midden te brengen.

De lieer van Doorn vraagt of de tabel, in dit artikel genoemd wel voldoende overwogen is, vooral met het oog op een mogelijk toenemen van oninbare jiosten.

Ik heb op de bedenking van den geaehten spreker tweederlei te antwoorden. Vooreerst, dat deze tabel niet is vastgesteld dan na een nauwkeurig en dikwerf herhaald overleg met mijn ambtgenoot voor de Finantiën. Bij dat overleg is inzonderheid ook die bedenking op het tapijt gekomen, in hoeverre het getal van oninbare posten zou kunnen worden vermeerderd. Het was van groot belang voor het algemeen, maar vooral voor het departement van Finantiën, zoodanige vermeerdering te verhoeden. Bij de regeling, zooals die nu is voorgesteld, scheen de vrees daarvoor, zoo zij al kon bestaan, niet groot genoeg, om eenigszins te kunnen opwegen tegen de voordeelen, aan de voorgedragen regeling verknocht. Ik zeg zoo zij al kon bestaan, en dit schijnt twijfelachtig, en dit is het tweede, dat ik aan den geaehten spreker meen te moeten voorhouden. De lagere klasse zal nu minder betalen dan zij betaalt tot dusverre. Tot dusverre worden algemeen 7 opcenten gevorderd. Nu zal de laagste klasse 5 opcenten betalen, en de volgende klasse zal, daar waar 10 opcenten gevorderd worden, slechts 3 meer te betalen hebben dan thans. Dit scheen de vrees voor eenc belangrijke vermeerdering van oninbare posten grootelijks te

Sluiten