Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, indien dit niet kan, eene verhooging der opbrengst zou moeten zoeken misschien in opcenten op het gemaal die nog oneindig drukkender zijn.

Uit dien hoofde is het mij voorgekomen, dat het volstrekte verbod om gemeentebelastingen te heffen, zich moet bepalen tot deze twee, die dan ook reeds bij het besluit van 1816 zijn uitgesloten en dat men de uitsluiting van andere gemeentebelastingen, waar de billijkheid die uitsluiting vordert, aan het oordeel van het Gouvernement moet overlaten, waaraan toch iedere belasting ter goed- of afkeuring moet worden onderworpen. Wanneer geen andere belasting dan op het zout en de zeep wordt uitgesloten, dan is daardoor geenszins gezegd, dat in alle gemeenten alle andere voorwerpen kunnen worden belast. De Raad draagt de belasting voor, maar zij wordt onderworpen aan het oordeel van Gedeputeerde Staten, en het Gouvernement zegt: ja of neen.

De heer Sloet tot Oldliuis komt terug.

Ik zou inderdaad de aanneming van dit amendement durven aanraden , indien het mij niet voorkwam dat men hier zou beperken zonder genoegzamen grond. Ik heb den geachten voorsteller van het amendement geantwoord, dat wanneer men de aardappelen uitsluit, men niet alleen die soort van voedsel zou moeten uitsluiten, maar ook gort, grutten en dergelijken. Ik geloof dat deze levensmiddelen wellicht kunnen gerekend worden meer voedzaam te zijn voor diezelfde klasse, wier welzijn hij bedoelt, dan aardappelen, waarvan de consumtie dan meer zou worden aangemoedigd. Waarom worden zout en zeep uitgezonderd? Omdat daarop rust Rijksaccijns en men aldus op dezelfde voorwerpen lichtelijk een gemeente-accijns zou kunnen gaan heffen.

Wat varkens- en schapenvleesch betreft, het komt mij voor, dat, wanneer door het volstrekte verbod van plaatselijke belasting op die voorwerpen te weeg gebracht wierd — hetgeen mogelijk zou zijn, — dat in deze of gene gemeente de opcenten op het gemaal moesten worden verhoogd, het nadeel dan grooter zou wezen dan het voordeel. Moet eene bepaalde som worden gevonden, men zal die, wanneer men hiertoe zijne toevlucht niet kan nemen, soms trachten te vinden door zoodanige accijnsen, die nog oneindig meer zullen drukken dan deze. Er bestaat geene andere reden, waarom ik mij tegen het amendement verklaar.

Het amendement van <ien lieer Sloet tot Oldliuis wordt met H6 tegen 29 stemmen aangenomen.

Juni. Art. 250. „Het verbruik van voorwerpen, aan Hijksaecijns onder¬

hevig, wordt niet hooger belast dan de honi'dsoin van dien accijns.

Zijn echter de gemeenteopcenten op de grondbelasting tot liet in art. k2'i I

Sluiten