Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ile lieer fhillert ontkende de juistheid van het door den Minister aan de gemeente Arnhem ontleende voorbeeld.

Het spreekt van zelf, dat ik gaarne nadere inlichtingen ontvang omtrent locale bijzonderheden, die aan de ingezetenen van eene bepaalde plaats soms beter dan aan den Minister bekend kunnen zijn. Ik kan evenwel niet inzien, dat in hetgeen de geachte spreker uit Arnhem heeft gezegd eene noodzakelijke wijziging gelegen is van hetgeen ik de eer had aan de Vergadering voor te dragen. De geachte spreker heeft gezegd, dat er sedert het jaar 1848 eene verandering was gekomen in den toestand van Arnhem.

Welnu, ik heb aan de Vergadering gezegd, dat ik nam eene opgave over 1848, niet om een verwijt te richten aan Arnhem of eene andere plaats, maar om een overzicht te geven van die plaatsen, waar een groot deel der algemeene opbrengst van de belastingen uit dergelijke bronnen voortvloeide als waarvan hier sprake is. Of nu ten aanzien van Arnhem en misschien andere steden sedert dien tijd verandering in den toestand is gebracht, doet niets ter zake. De geachte spreker heeft gezegd, dat over een besluit in 1849 genomen, vertoogen aan mij waren gericht. De vertoogen, die aan mij gericht zijn, betreffen een ander punt, namelijk de doorvaartgelden, geheven van schepen. De stad Arnhem beweerde, dat de schepen die door de brug varen, verplicht zijn aan de stad eene zekere belasting te voldoen, te voren zonder tegenspraak geheven. En nu, sedert die heffing is afgeschaft, gelooft de stad Arnhem aanspraak te hebben op schadevergoeding. De hoofdzaak waarvan ik sprak, is het brug- en veergeld voor dengenen, die van de brug gebruik maken. De schepen die onder de brug door moeten varen, vinden in de brug belemmering. De brug is voor de voetgangers en voor de rijtuigen, maar de schepen worden gehinderd en zij moeten evenwel betalen. Nu heb ik uit de opgave over 1848 vermeld, dat de gezamenlijke opbrengst van de belastingen, rechten en loonen te Arnhem was J 107,000 a ƒ 108,000 en daartegen de sluis-, brug- en veergelden ƒ 27,221, dus 25 pet. van de gezamenlijke inkomsten. Is dit nu niet te veel, dient die som inderdaad om te voldoen hetgeen zulk eene inrichting aan de stad Arnhem kost, welnu dan is Arnhem in den regel, dien de wet wil.

De heer van Akerlaken, terugkomend op het waagiecht te Hoorn, beweert, dat dit recht, destijds door de gemeente gekocht, haar niet zonder schadevergoeding mag worden ontnomen. De lieer de Man verwijt den Minister dat deze het deed voorkomen alsof hij voor de bijzondere belangen van de stad zijner inwoning opkwam. Zal berekening van de mate der heffingen naar de grondslagen van het ontwerp mogelijk zijn?

Ik wensch met een enkel woord af te doen hetgeen door den laatsten geachten spreker (den heer van Akerlaken) over waagrechten en

Sluiten