Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i Juni. Art. '257. Het ontwerp verwees naar „de bepalingen der artt. 258—260." De heer Ypeij, van oordeel dat, ingeval een of meer dier artikelen wierden afgestemd, dit artikel, zoo aangenomen, eene misstelling zoude bevatten, geeft in overweging te lezen: „de volgende bepalingen."

Het zou mij voorkomen, dat het beter ware, zoo de vergadering goed vond aan den Voorzitter machtiging te geven, dat hij in de aanhaling, die in dit artikel voorkomt, zoodanige wijziging brenge als noodig ware, zoo hetgeen de geachte spreker uit Leeuwarden bedoelt plaats mocht vinden. Las men: overeenkomstig de volgende bepalingen, dan zou de aanhaling minder nauwkeurig zijn. Het zijn niet alle volgende artikelen, maar alleen de aangehaalde artikelen, die tot regel moeten strekken voor plaatselijke verordeningen omtrent invordering van belastingen. Wanneer nu eene verandering in die artikelen mocht komen, die ten gevolge zou moeten hebben eene verandering in de aanhaling der cijfers, voor dat geval zou het worden vereischt, dat men die verandering nog in cijfers zou mogen brengen. Indien de Vergadering er geen bezwaar in vindt eene machtiging daartoe op den heer Voorzitter der Kamer te verstrekken, dan zou dit, dunkt mij, het beste middel zijn.

Art. 265. Ter lezing ligging der kohieren.

Ik ben door een van de leden van de Vergadering opmerkzaam gemaakt, dat dit artikel eene verbetering eischt, ten einde de bepaling beter te doen beantwoorden aan het doel.

Er is namelijk opgemerkt, dat niet uitdrukkelijk is bepaald, dat de kohieren, door den Raad vastgesteld, wederom ter visie zullen worden gelegd. Het stelsel van de wet is, dat de kohieren voorloopig worden vastgesteld door burgemeester en wethouders en voor goed worden vastgesteld door den Raad. De Raad kan in de door burgemeester en wethouders voorloopig vastgestelde kohieren verandering brengen op tweederlei aanleiding. Hij kan dit doen öf ten gevolge van ontvangen reclames, öf uit eigen beweging. Nu zouden de aangeslagenen die getroöen werden door de verandering, welke de Raad uit eigen beweging in de vroeger voorloopig vastgestelde kohieren had gebracht, beroofd zijn van het recht van beroep op Gedeputeerde Staten. Dit kan niet. De aangeslagenen moeten evenzeer het recht van beroep hebben op Gedeputeerde Staten als degenen die gereclameerd hebben tegen de voorloopige vastgestelde kohieren en aan wier bezwaren door den Raad uit eigen beweging veranderingen kunnen worden gemaakt, waardoor aangeslagenen, die geen bezwaar tegen de voorloopig vastgestelde kohieren hadden, wierden getrofien. Om hierin te voorzien en dus de bepaling beter aan haar doel te laten beantwoorden, stel ik voor, tusschen de 3de en 4de alinea's in te lasschen:

„De door den Raad vastgestelde kohieren worden ter secretarie,

Sluiten