Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te schrijven, dat staatkundige vcrcenigingen niet zonder kennisneming der Regcering mogen bestaan; dat de Regeering bevoegd is niodedeeling te vragen van de statuten, het personeel en de vergaderplaatsen van alle vcrcenigingen, die werkelijk tot de staatkundige behooren; dat de Regeering in bepaalde gevallen eenmaal tocgelatene staatkundige vereenigingen kan ontbinden, en dat geenc vreemdelingen of personen aan wie bij vonnis burgerschapsrechten ontnomen zijn, aan staatkundige vereenigingen mogen deel nemen. Ik geloof, Mijne Heeren, dat hij, die op het voorbeeld van den geachten spreker, mocht denken, dat deze weinige woorden de vervulling van dergelijke taak gemakkelijk maken, zich uitstekend bedrogen konde vinden. Ik geloof, dat voor hem, die zich in dat denkbeeld tot die taak nederzette, de teleurstelling, eer het eerste halfuur verloopen was, zich zou openbaren. Tusschen het bezigen van algemeene spreekwijzen, die als voorschriften kunnen worden in acht genomen bij het ontwerpen van eene wet, en het ontwerpen zelf van eene wet, van eene goede, aannemelijke wet, is een afstand, dien de geachte spreker, naar het mij voorkomt, niet heeft gemeten.

Wanneer de geachte spreker inzonderheid tot leidraad wil doen strekken, dat men zich zou behooren te bepalen tot staatkundige vereenigingen, dan geloof ik, Mijne Ileeren, dat ja, bij willekeurigcn uitleg der Grondwet, de kring zoo nauw kan worden getrokken bij het ontwerpen van deze wet. Maar dit is zeker, dat noch de Grondwet, noch de geschiedenis der Grondwet zoodanige beperking rechtvaardigt. Ik geloof integendeel, dat de Grondwet eischt, dat de wet op het recht van vereeniging en vergadering het gansche onderwerp omvatte, en ik voor mij zoude genegen zijn aan dit ontwerp, voor zooverre ik het mij nog herinner, eerder onvolledigheid te verwijten, dan eenen te grooten omvang.

De geachte spreker heeft herinnerd wat ik in het jaar 1849 heb gezegd. Hij heeft gemeend tusschen sommige bepalingen van dit ontwerp en dat gezegde strijd te ontdekken. En nu zegt hij: wij hebben een homogeen ministerie, de Ministers hebben die wet moeten onderzoeken, en de Minister van Binnenlandsche Zaken, dat ontwerp onderzocht hebbende, heeft thans bepalingen goedgekeurd, die in strijd zijn met de gezegden van den Minister van Binnenlandsche Zaken in 1849; derhalve, de Minister van Binnenlandsche Zaken is zich zeiven afgevallen. Ik moet, Mijne Heeren, die geheele procedure, tegen mij aangelegd, van den beginne af met eene exceptie bejegenen. I)e geachte spreker heeft zich niet in de plaats gesteld van den Minister. De geachte spreker verkeert in den gelukkigen toestand veel vrijen tijd te hebben; hij denkt zich den Minister in denzelfden toestand en meent nu dat ieder Minister elk wetsontwerp alvorens het hier wordt ingediend, met den uitersten ijver onderzoekt. Ik onderstel, Mijne Heeren, dat het den Minister, aan wien voor het eerst een wetsontwerp wordt voorgelegd,

Sluiten