Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij wilt niet hebben voorgesteld? Ik vraag, Mijne Hoeren, of dit niet de zelfstandigheid, in iedere samenwerking van menschen, van mannen vooral op een zoo hoog standpunt geplaatst, te eerbiedigen, bestaanbaar ware. Ik vraag, of het, indien men zich zoo iets wilde veroorloven, mogelijk zou zijn, dat een Ministerie acht dagen bijeenbleef. Wil men, dat over alles bij meerderheid worde beslist wat zal worden voorgesteld? Men moet het ten laatste, zelfs wanneer men zich niet kan vereenigen met het hoofdbeginsel van het voorstel, in den regel overlaten aan den betrokken Minister, het voorstel gelijk hij het goedvindt, namens den Koning aan do Staten-Generaal te doen. Men zal den betrokken Minister de redenen, die men heeft, doen kennen, men zal hem, zoo men het noodig keurt, waarschuwen, maar hem vervolgens laten begaan. En dit te meer, Mijne Heeren, omdat de Minister die het voorstel deed, het voorgestelde onderwerp heeft doordacht in alle deelen, hetgeen niet kan worden gevorderd van een der andere Ministers, tenzij dezen, tot schade van de publieke zaak, tot schade van hunne bijzondere taak, wierden veroordeeld, om gedurende eenige weken, misschien gedurende eenige maanden, de studiën te doen, welke die Minister heeft moeten doen om geheel en al in het onderwerp in te dringen. Ieder Minister zou dan op zijne beurt gedurende eenigen tijd van het jaar moeten worden Minister van Justitie, de Minister van Justitie op zijne beurt Minister van Binnenlandsche Zaken, en zoo verder. Mijne Heeren, ik zou van mijne ambtgenooten niet durven vergen, dat zij aansprakelijk waren, in welken zin ook, voor de bepalingen die ik voorstelde in eene gemeentewet, in eene kieswet, in eene provinciale wet. Ik zou overtuigd zijn dat ik het onmogelijke van hen vergde.

Indien dat gebeuren moest, dat, èn ten aanzien van de hoofdbeginselen èn ten aanzien van de overige bepalingen van de wet, het ontwerp niet kon worden voorgedragen, alvorens ieder Minister, of althans de meerderheid der Ministers, verklaard had: wij kunnen er ons volkomen mede vereenigen; wij zouden het ook zoo hebben voorgesteld, — wat zou het zijn? Mijne Heeren, men beklaagt zich nu soms over het achterblijven van sommige voorstellen van wet, maar ik geloof dat dan inzonderheid eene mate tijd zou moeten worden gevraagd, die niemand meer toestaat. En eene verwisseling van rollen, eene verplaatsing van den eenen in de taak van den anderen zou worden gevorderd, die met de eischen van den publieken dienst, voor zoover door liet Ministerie daarin moet worden voorzien, volstrekt onvereenigbaar zijn.

Derhalve, zoodanige aansprakelijkheid als de geachte spreker wil, schijnt mij niet slechts een onvruchtbnar denkbeeld, maar eene onbillijke, ja onmogelijke voorwaarde van homogeniteit.

Dat de geachte spreker zegge, wat hij met aansprakelijkheid bedoelt. Wil hij mij bijv. nu aanspreken over iedere bepaling van dit ontwerp? Ik zal het antwoord zeer dikwijls schuldig moeten blijven. Het ontwerp

Sluiten