Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winden van hooge wijsheid, welke in de Tweede Kamer tot eene wijziging van het voorstel der Commissie hebben geleid. De Commissie van Manrt 1848, zeide hij, werd enkel door de buitenlandsche gebeurtenissen van den dag gedreven en bestuurd, werd daardoor voortgedreven, en zoo is het door haar voorgestelde artikel ontstaan, dat, wel overwogen, terecht gewijzigd is door de Tweede Kamer. De geachte spreker heeft gemeend voor die beschouwing, dat de Commissie van 1848 alleen aan de buitenlandsche gebeurtenissen van het oogenblik gehoorzaamde, grond te vinden in haar eigen rapport. Hij heeft gemeend daaruit te kunnen afleiden, dat de Commissie geen anderen regel, geen ander richtsnoer heeft gekend, en het onderwerpen van het recht van vereeniging aan nadere bepaling had overgelaten aan de Tweede Kamer, die dan vervolgens gelukkig genoeg was geweest, de bezadigdheid te bezitten, welke bij eene dergelijke zaak te pas kwam. Wat zegt het rapport der Commissie? Daar staat: „Het recht van vereeniging, waarvan vergadering een uitvloeisel is, heeft in de hedendaagsche gebeurtenissen en maatschappijen, gelijk in de wetgevingen elders, een zóó groot gewicht verkregen, gezelligheid is een zóó wezenlijk en vruchtbaar middel van menschelijke krachtoefening,, dat wij oordeelen het onder bescherming der Grondwet te moeten stellen". Nu zie ik tot mijn schrik, dat hedendaagsche gebeurtenissen door den geachten spreker zijn opgevat als wierden bedoeld de gebeurtenissen van dien dag, de gebeurtenissen te Parijs, eenige weken vroeger voorgevallen. Maar ik kan verklaren, dat de meening der Commissie niet zoo beperkt is geweest. Sprekende van „hedendaagsche gebeurtenissen", had zij in het algemeen de tegenwoordige gestalte der wereld, zooals zij uit de geschiedenis van onzen leeftijd is voortgekomen, op het oog. Uit de woorden, die ik zoo even voorlas: „Het recht van vereeniging is een zoo wezenlijk en vruchtbaar middel van menschelijke krachtoefening, dat wij oordeelden het onder bescherming der Grondwet te moeten stellen," — uit die woorden, Mijne Heeren, blijkt, geloof ik, tevens dat de Commissie niet gedacht heeft aan deze of gene politieke vereeniging, maar het onderwerp in zijn geheelen'omvang heeft beschouwd. De geachte spreker heeft ondersteld, dat de Commissie van 1848 de beklaagde artikelen van het fransche Strafwetboek geheel had voorbijgezien. Hij heeft het als eene verdienste aan de Tweede Kamer toegerekend, dat deze op die artikelen was bedacht geweest. Ik kan verklaren dat zij in de Commissie van 1848 wel degelijk zijn overwogen, ja dat men wellicht, indien aan die artikelen niet ware gedacht, dit artikel in het ontwerp van herziene Grondwet, door de Commissie aangeboden, niet zoude hebben gevonden. Nu meent de geachte spreker, dat men later het ontwerp, zooals het door het Gouvernement aan de Kamer was ingediend, zooals het ten gevolge van de aanmerkingen der Kamer is gewijzigd, niet juist heeft kunnen beoordeelen, omdat men de gronden niet kende waarop de gemaakte wijzigingen berustten.

Sluiten