Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goede wetsontwerpen gezocht had in het gemeen overleg, gepleegd in den Raad van Ministers, en dat die waarborg nu, na de verklaring van den Minister van Binnenlandsche Zaken, hem ontviel. Wanneer de geachte spreker tot dusverre daarin een voornamen waarborg heelt gezocht, heeft hij zich de onderscheidene elementen van den Raad van Ministers niet duidelijk voor den geest gebracht. Hij heeft zich dan niet duidelijk voorgesteld, dat ieder Minister geroepen wordt voor eene bepaalde taak, die bij de hoog gespannen eischen van onzen tegenwoordigen tijd voor één man eer te groot dan te gering zou kunnen worden geacht; hij heeft dan voorbijgezien, dat de ministerieele verantwoordelijkheid, in een verstandigen zin toegepast en bedoeld bij de Grondwet, eene persoonlijke, eene individueele verantwoordelijkheid is, eene verantwoordelijkheid daarenboven voor handelingen. Ik heb een Ministerie gekend, Mijne Heeren, waar men misschien uit de verte dat ideaal van volkomenheid trachtte te bereiken, dat de geachte spreker voor oogen heeft; waar men gedurende den ochtend drie of vier uren, en des avonds van zeven of half acht ure tot diep in den nacht zat te raadplegen over al de verschillende aangelegenheden die in de onderscheidene departementen zich hadden voorgedaan, en met elkander disputeerde over de artikelen der voorstellen van wet die van wege een of ander departement zouden worden gedaan aan de Staten-Generaal. Maar ik geloof, Mijne Heeren — ofschoon ik in al de geheimen van dat Gouvernement niet ben ingewijd —, dat zij die poogden tot dat ideaal te naderen, hebben ondervonden dat de redactie der ontwerpen van wet er niet bij won, dat de aannemelijkheid van die ontwerpen er niet verder door werd gebracht, en dat de dagelijksche, meest dringende taak der departementshoofden, ten nadeele van de publieke zaak, er geducht bij leed.

Ik heb redenen bijgebracht, en de geachte spreker is op eene dier redenen, met terzijdelating der andere, aangevallen. Ik heb gezegd, dat wat de geachte spreker van de homogeniteit van het Ministerie verlangt, strijdig is met al de voorwaarden van samenstelling van een Ministerie, dat uit zelfstandige mannen bestaat. Wil hij een Ministerie waar men één hoofd heeft en voor het overige commiezen, en waar dat ééne hoofd op alles voorbereid, alles wetende, voorschrijft hoe hij verkiest te zien handelen? Waar men, als Ministers, heeft hoofden van departementen, die weten en beseffen wat eigene verantwoordelijkheid is, daar zou de handelwijze, gewenscht door den geachten spreker, een ondragelijk despotisme ten gevolge hebben, dat te nauwernood beproefd, in korten tijd de ontbinding, van welk Ministerie ook, te weeg zou brengen.

De geachte spreker heeft deze en andere redenen ter zijde gelaten, en zijnen aanval gericht tegen hetgeen ik gisteren de vrijheid nam in het midden te brengen, tegen het zeggen dat het den Ministers aan tijd ontbreekt. Hij heeft gezegd: „Men moet tijd hebben; ik wil den

Sluiten