Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorkomen, in bedenking geven, eene enkele wijziging in de woorden te brengen. Men zou dan, ten einde deze alinea in uitdrukking niet te veel verschilde van de gewone uitdrukking, in dit ontwerp van wet gebezigd, kunnen zeggen: „Indien de gedaagde niet verschijnt, gelast de regtbank eene nieuwe oproeping tegen eene nadere teregtzitting, mits binnen de 14 dagen na de niet-verschijning en zonder dat dit vonnis behoeft te worden beteekend. Indien (niet Wanneer, want er is niet de minste reden, om, zoo de vorige volzin met Indien aanvangt, thans Wanneer te gebruiken) de gedaagde ook dan niet verschijnt, doet de regtbank uitspraak en wordt het vonnis als op tegenspraak gewezen beschouwd en daartegen geen verzet toegelaten." Ik geef den geachten voorsteller die kleine wijziging in de woorden in bedenking, voor het geval dat dit amendement aan de Kamer aannemelijk mocht voorkomen. Ik herhaal overigens, dat ik geen hoofdbezwaar zie, op grond waarvan ik er mij tegen zou verzetten.

Hetgeen de geachte spreker uit Leiden verlangt, dat in de eerste alinea van art. 24 voor: „derde belanghebbenden" zou worden gelezen: „alle belanghebbenden", kan, mijns inziens, niet worden toegegeven. Dan zou men gaan verre buiten hetgeen volgens het systeem van het ontwerp van wet voor de belanghebbenden behoort te worden gedaan. Het ontwerp van wet slaat geen acht op anderen dan op derde belanghebbenden, niet op alle belanghebbenden. Er zou dus als ter sluik in deze ééne alinea iets worden gebracht, dat voor het overige in het ontwerp is uitgesloten. De woorden: derde belanghebbenden, moeten hier volstrekt blijven. Ik meen dat genoegen kan worden genomen met de verklaring, die in de Memorie van Beantwoording door het Gouvernement is gegeven. Maar zoo er twijfel mocht overblijven, deze wijze van wegneming van dien twijfel zou, geloof ik, inbreuk maken op het geheele stelsel van het ontwerp.

Het amendement van den heer Wintgens wordt door den heer Poortman bestieden. De heer de Fremery komt terug. Antwoord aan den lieer Ypeij.

Ik moet in de eerste plaats doen opmerken, — hetgeen ook zonder mijn woord door de Vergadering zal zijn opgemerkt, — dat het beter ware zelfs een dergelijk amendement als nu is voorgesteld, hetgeen mij niet voorkomt te grijpen in het stelsel van de wet, hetgeen mij tot dusverre zelfs voorkomt aan het stelsel bevorderlijk te zijn, tevoren ter tafel te brengen, dan op het oogenblik van de discussie. Zoo licht ziet men iets over het hoofd, hetzij in de bewoordingen van het amendement, hetzij betreflende den samenhang van het amendement met andere artikelen van de wet. Het is daarom alleszins wenschelijk dat men een amendement, al geldt het daarbij ook slechts een paar woorden, te voren in stilte kan overwegen, ook in verband met het stelsel, met andere artikelen van het ontwerp.

Sluiten