Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is in tle eerste plaats eenc vraag geopperd over de bedoeling van de laatste woorden van art. 39, „ter onteigening is aangewezen". Die vraag moet, dunkt mij, zonder eenigen twijfel, in dien zin worden beantwoord, waarin de geachte spreker die woorden zelf heeft opgevat. Het zijn de perceelen, de goederen ter onteigening aangewezen door liet Koninklijk besluit, bedoeld bij art. 14.

In de tweede plaats heeft de geachte spreker bezwaren geopperd tegen deze bepaling der wet, die, zooals hij zelf heeft erkend, strekken zal tot wering van misbruik. Hij heeft gewezen op den druk, die ten gevolge van deze bepaling na de aanwijzing der perceelen voor sommige eigenaars kan ontstaan. Ik merk, ten einde misverstand te voorkomen, in het voorbijgaan op, dat de aanwijzing ter onteigening geschiedt bij het Koninklijk besluit, bij art. 14 bedoeld, en dat geene eigenlijke aanwijzing ter onteigening plaats vindt bij een plan vóór het nemen van het besluit gemaakt. De geachte spreker zegt, onder den druk van het beletsel ten aanzien van bouwen, planten of verhuren kunnen die eigenaars een geruimen tijd blijven; er kan een geruime tijd verloopen, tusschen het ter inzage leggen van het plan, volgens art. 7 of zelfs volgens art. 12, en het nemen van het Koninklijk besluit, bedoeld bij art. 14, waarbij de goederen worden aangewezen, die onteigend zullen worden. Ik erken, Mijne Heeren, dat is een bezwaar, vooral voor hen, wier goederen reeds waren omschreven in het eerste plan en bij het Koninklijk besluit ter onteigening worden aangewezen. De tijd, tusschen het eerste plan en het Koninklijk besluit, bedoeld bij art. 14, verloopende, duurt gewis het langst, en de druk voor de bij het eerste plan aangewezen perceelen duurt nu langer, dan wanneer het beletsel alleen bestond voor de goederen, aangewezen bij het plan, ter visie gelegd volgens de bepaling van art. 12. Men zou dus, om den druk van dat beletsel van bouwen, planten, verhuren te verminderen, tot de gedachte kunnen komen hier niet te noemen art, 7, maar enkel art. 12, en alleen te zeggen, dat eigenaars, wier goederen, aangewezen bij Koninklijk besluit, reeds waren aangeduid bij het plan ter visie gelegd volgens art. 12, voor hetgeen na dit tijdstip gebouwd, geplant of verhuurd is, geene schadeloosstelling zullen ontvangen. Daardoor zal het bezwaar zeer verminderd worden, maar niemand zal kunnen ontkennen, dat men daardoor de deur openstelt voor zeer grove misbruiken. Zeer velen toch zullen reeds bij den aanvang, reeds bij het voorloopig onderzoek, berekenen of voorzien, dat hunne perceelen in de onteigening zullen worden begrepen; zij zullen dan, ten einde de schadeloosstelling hooger te doen klimmen, bouwen of planten, wel wetende, dat men hunne perceelen niet zal kunnen missen. Zoodanige speculatie zal soms mislukken, maar in zeer vele gevallen zal het doel bereikt worden. Men zal dus, wanneer men rekent van het tijdstip van art. 12, niet van art. 7, het bezwaar dat zal kunnen drukken, verminderen, maar de gelegenheid tot misbruik vermeerderen.

Sluiten