Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over zijn, waarin inderdaad schade zou kunnen worden geleden, ik geloof dat die schade zeer luttel zal zijn, vooral ook, in aanmerking genomen den doorgaans korten tijd die, wanneer de uitvoering der wet aan haren geest beantwoordt, tusschen het ter inzage leggen van de plans en het nemen van het Koninklijk besluit zal verloopen. Ik durf dus, voor zooveel ik de bedoeling van den geachten spreker begrijp, en over zijn voorstel, vergeleken met het stelsel van de wet, kan oordeelen, niet tot de aanneming adviseeren.

De heer Gevers repliceert. De eigenaar zal lang in onzekerheid verkeeren, vooral door de mogelijkheid van toepassing van artikel 10.

Ik geloof, dat de geachte spreker uit Leiden (de heer Gevers van Endegeest), gisteren en ook nu te veel gedrukt heeft op art. 16. De toepassing van dat artikel zal niet te weeg brengen, dat de perceelen, aangewezen bij het oorspronkelijk besluit, bedoeld bij art. 14, niet worden onteigend. Die perceelen zullen in de meeste gevallen reeds onteigend zijn, wanneer men besluit tot verandering der richting, en nu zal in die veranderde richting opnieuw moeten onteigend worden. Hetgeen de geachte spreker steunt op art. 16, het verloopen van jaren tijds. is dus, geloof ik, eene enkele uitzondering tot een algemeenen regel maken, of althans tot eene groote meerderheid van gevallen.

Ik heb het voorgestelde artikel nu nog eens gelezen, en ik moet verklaren zeer huiverig te zijn, om, alvorens nader overwogen te hebben, tot de aanneming te adviseeren, ook al was er meer voor het beginsel te zeggen, dan hetgeen tot dusverrre is aangevoerd.

Voor het geval dus, dat het beginsel aan de Vergadering mocht voorkomen nadere overweging te verdienen, zou ik altoos wenschen, dat de stemming over dit artikel wierd verschoven. Ik geloof, dat niet zoo overhaast een dergelijk artikel in de wet moet worden geschoven. De uitdrukking; „de goederen niet meer tot onteigening noodig zijn", is geheel onjuist, en ik zou ongaarne zien, dat zij in de wet wierd opgenomen.

De tegenwerping van den heer van Lynden, «lat de eigenaar niet zal kunnen bewijzen, dat hij zieli onthouden heeft van het maken van getimmerten, bouwen, planten of verhuren, wordt door den heer Gevers afgeweerd: in Frankrijk kan het de jury ook wel uitmaken.

Ik ben op dit punt, dat ik gisteren reeds heb aangeroerd, niet teruggekomen, omdat ik de herhaling onnoodig achtte. De reden gisteren door mij ontwikkeld, en thans opnieuw door den geachten spreker uit Nijmegen (den heer van Lynden) aangedrongen, schijnt mij ook nu nog tegen het voorstel te pleiten. De geachte voorsteller vraagt: hoe maakt het dan de fransche jury? Daarop moet ik vooreerst dit antwoorden: zoo wij niet inzien, hoe de fransche jury voldoet aan hetgeen de wet verlangt, dan kan datzelfde niet als verplichting

Sluiten