Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De roden, waarom het ontwerp van wet den eigenaar van liet in eeuwigdurende erfpacht uitgegeven goed, niet gelijkstelt met den eigenaar van het aan recht van heklemming onderworpen goed, is hierin gelegen dat het recht van beklemming niet gelijk mag worden gesteld met het erfpachtsrecht. Ik spreek nu over het recht van beklemming, maar ik doe dat niet dan met huivering. Het is een onderwerp, dat beter enkel aan de locale deskundigen ter behandeling is overgelaten. Maar de deskundigen zullen mij, hoop ik, indien ik mij bedrieg, te recht wijzen. De eigenaar van het beklemde goed heeft meer recht op zijn goed, dan de eigenaar van het goed, in eeuwigdurende erfpacht uitgegeven. Zoo ik mij niet vergis, is aan den beklemden meier enkel het gebruik van het goed afgestaan. Hij kan geenszins gezegd worden te vallen in de termen van hetgeen in art 767 van het Burgerlijk Wetboek omtrent het erfpachtsrecht wordt gezegd: „Erfpachtsregt is een zakelijk regt om het vol genot te hebben van een aan een ander toebehoorend onroerend goed."

Dat vol genot, dat de erfpachter heeft, bezit de beklemde meier in geenen deele. Vooreerst, is, meen ik, het genot van den beklemden meier beperkt tot het gebruik van het land. De beklemde meier kan het goed niet bezwaren met erfdienstbaarheden. Ten aanzien van het graven van turf is de beklemde meier beperkt binnen hetgeen hij gerekend moet worden noodig te hebben voor huiselijk gebruik. Hij kan zonder toestemming van den eigenaar geene gebouwen op den grond stellen. Bij het recht van beklemming is doorgaans maar één meier geduld, die zijn recht niet kan overdragen aan een ander. En de beklemde meier is, bedrieg ik mij niet, altijd verplicht om de door hem gestelde gebouwen tegen zekere waardeering aan den eigenaar over te laten.

Dit zijn alle kenmerken van groot verschil tusschen het recht van beklemming en dat van eeuwigdurende erfpacht; kenmerken van verschil, waaruit blijkt, dat de eigenaar bij eerstgenoemd recht meer op den voorgrond komt, dan bij het laatstgenoemde. Daarenboven, zoo ik wel onderricht ben, dan is in de registers van het kadaster de beklemde meier opgeteekend en niet de eigenaar van het goed. Derhalve, wanneer de wet niet zeide hetgeen geschreven staat in de laatste alinea van art. 47, dan zou de eigenaar van het beklemde goed in het geheel niet in aanmerking komen. Het is mij voorgekomen, dat hij te veel rechten meer heeft dan de eigenaar van een in eeuwigdurende erfpacht

door de deskundigen begroot, die daarbij letten op den tijd, dien het regt waarschijnlijk nog zou hebben geduurd.

Op gelijke wijze bepalen zij, wat uit de schadeloosstelling aan hem, die een regt van opstal verliest, zal worden betaald.

ISij onteigening van erven, aan het recht van beklemming onderworpen, wordt zoowel de eigenaar als de beklemde meier in het geding geroepen, en de aan elk hunner verschuldigde schadeloosstelling afzonderlijk begroot.

Sluiten