Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgegeven goed, om niet gunstiger dan deze te worden behandeld. En ziedaar de reden waarom hij niet met den eigenaar van goederen, in eeuwigdurende erfpacht uitgegeven, is gelijkgesteld.

De eigenaar, zegt de heer van Doorn en hij haalt ten bewijze van zijne bewering eenige bepalingen uit een erfpachtscontract aan, de eigenaar van het in erfpacht bezeten goed heeft veel meer rechten, dan de minister deed voorkomen. Zal de vergoeding aan den tijdelijken erfpachter worden gekweten uit de schadevergoeding aan den eigenaar toe te kennen?

Het blijkt dat bij het ontwerpen dezer wet, ten aanzien van erfpachtsrecht, de voorschriften en de regelen bij het Burgerlijk Wetboek voor dat recht gesteld, zijn geraadpleegd en gevolgd. Ik laat nu daar de bepaling van dat wetboek, dat het erfpachtsrecht is een zakelijk recht om het vol genot te hebben van een aan een ander toebehoorend onroerend goed, onder gehoudenis om aan laatstgemelden, als eene erkentenis van deszelfs eigendom, eene jaarlijksche pacht te voldoen, hetzij in geld, hetzij in voortbrengselen of vruchten. Maar wat zegt het Burgerlijk Wetboek, die bepaling daargelaten, verder, waar het het erfpachtsrecht kenmerkt? Het zegt dat de erfpachter bevoegd is, om zijn recht te vervreemden, met hypotheek te belasten, enden grond, in erfpacht uitgegeven, met erfdienstbaarheden te bezwaren, voor het tijdvak van zijn genot: dat hij, bij het eindigen van zijn recht, kan wegnemen alle zoodanige door hem gestelde gebouwen of gemaakte beplantingen, waartoe hij, uit kracht der overeenkomst, niet gehouden was, en art. 777 zegt, dat ter zake van eiken overgang van het erfpachtsrecht, of van verdeeling eener gemeenschap, gccne buitengewone uitkeering daarvoor verschuldigd is. Nu is het volkomen waar, dat volgens art. 782 van die bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kan worden afgeweken bij bijzondere overeenkomsten. Maar bij de regelen hier gesteld wordt gezien op het erfpachtsrecht, geconstitueerd volgens het Burgerlijk Wetboek. En volgens dat Wetboek, waartegen de geachte spreker uit Utrecht (de heer van Doorn) nu een contract heeft overgesteld, zijn de hier gestelde regelen juist en voldoende.

De tweede geachte spreker uit Utrecht (de heer van Goltstcin) heeft wel goedgekeurd de bepaling bij de derde alinea van dit artikel gemaakt, maar gemeend opheldering te moeten vragen, hoe bij tijdelijke erfpacht behoort te worden gehandeld? De derde alinea zegt: „Bij tijdelijke erfpacht wordt de vergoeding, aan den erfpachter verschuldigd, door de deskundigen begroot, die daarbij letten op den tijd, dien het regt waarschijnlijk nog zou hebben geduurd." De geachte spreker heeft dit vergeleken met hetgeen in eene volgende alinea wordt gesteld: „Op gelijke wijze bepalen zij, wat uit de schadeloosstelling aan hem, die een regt van opstal verliest, zal worden betaald." Hij heeft het ook vergeleken met hetgeen, bij de eerste alinea, ten aanzien van eeuwigdurende erfpacht is bepaald.

Sluiten