Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen vorenstaande redenen pleit nu de last, die op de schatkist kan worden gebracht. Die last mag niet gering worden beschouwd, gesteld, dat, als men tot zoodanigen maatregel besluit, de onteigening om af te maken niet op een enkel stuk vee, maar in het groot worde toegepast. Ik heb eene opgave laten vervaardigen van hetgeen uit liet veefonds betaald is. Het maximum, dat betaald is, werd uitgekeerd in 1841, en toen zijn betaald ƒ 307,000. Wanneer men neemt de jaren 1840 en 1841, toen de ziekte op het ergst was, ziet men dat toen, dooreen gerekend, 's jaars betaald is voor nagenoeg 12,000 stuks vee. Wanneer men dit overbrengt op zoodanigen toestand, waarin men geroepen zou kunnen zijn dergelijken grooten maatregel te nemen, en men stelt dat voor ieder stuk vee, het een door het ander, betaald zal worden ƒ 50, dan zal de last voor de schatkist worden zes ton. Zes ton is geene kleine som; maar de vraag is of het gevaar van zoodanige aanzienlijke uitgave zoo groot is, en zelfs al ware het zoo groot, ook dan nog zou ik het beter achten, dat bezwaar op de schatkist te laten rusten, dan ten laste van de provinciën te brengen.

Ik heb derhalve de voor- en nndeelen overwogen; ik heb laten uitrekenen hoe groot het bezwaar voor de schatkist zou kunnen worden; en, hoe groot dit bezwaar ook kan worden, ik meen toch, dat het beginsel om het ten laste van den Staat te brengen, de voorkeur verdient. Ik heb er intusschen aan gedacht, een uitweg te vinden tot den tijd toe, dat de overwegingen over de politiemaatregelen tegen besmettelijke veeziekten haar beslag hadden gekregen, en in deze wet niets te stellen ten aanzien van hem, die verplicht zou zijn de schadeloosstelling te betalen. Maar het gevolg daarvan zou wezen, dat de wet te dezen aanzien niet uitvoerbaar zou zijn, totdat wij die andere wet hadden. Daarom is het mij voorgekomen, dat de redenen, die voor het hier gestelde beginsel schijnen te pleiten, nu reeds tot een resultaat moesten leiden. Ik kon ook niet inzien, dat later andere gronden, dan die mijne meening hebben gevestigd, zouden kunnen wegen.

De lieer Jongstra gaat mede met de wenschen van den heer Huguenin. Ook hij oordeelt het laatste lid onbillijk tegenover die provinciën, binnen welke men zorg draagt tegen besmetting en daartoe een provinciale belasting heeft.

Ik kan aan het verlangen van den geachten spreker uit Heerenveen (den heer Jongstra) niet toegeven, en ik hoop hem te overtuigen dat ik het terecht niet doe.

Wanneer de wet het beginsel stelt, dat de Staat tot schadeloosstelling zou zijn verplicht, dan zou men, zonder het laatste gedeelte dezer alinea, daar, waar dergelijke belastingen bestaan, toch bij de schatkist kunnen komen om schadeloosstelling te erlangen. Kn dat gaat volstrekt niet aan. Wanneer er bij eene provinciale verordening bepaald is, dat men uit de provinciale fondsen schadeloosstelling zal

Sluiten