Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zijn bedenkingen ingebracht van algemeenen aard, die het stelsel zelf van deze wet betreffen, en de betrekking van deze wet tot de Grondwet. Er zijn andere bedenkingen ingebracht, rakende bijzondere onderdeden van het ontwerp. Er zijn eindelijk, bij gelegenheid van dit ontwerp van wet, onderscheidene vragen geopperd.

De algemeene bedenkingen tegen het stelsel van dit ontwerp van wet waren vooral gegrond op de vergelijking met de Grondwet; het stelsel van dit ontwerp werd als niet overeenstemmende met de Grondwet beschouwd. Onderscheidene sprekers, inzonderheid twee sprekers uit Zuid-Holland en één spreker uit Utrecht, hebben dat bezwaar aangevat. Een spreker uit Zuid-Holland, een ander spreker uit Utrecht hebben zich beroepen op de woorden van art. 147 der Grondwet. Zij hebben gezegd, dat de vergelijking van het tweede lid van art. 147 met het eerste, den wil van de Grondwet duidelijk aantoont, daarheen strekkende, dat de wet, die ingevolge dat artikel moest worden vervaardigd, tevens de onteigening van ieder bijzonder perceel gebood. Dit twistpunt, Mijne Heeren, is in de andere Kamer van meer dan ééne zijde behandeld; het is behandeld bij het verslag dezer Kamer en bij de memorie van beantwoording, die het Gouvernement de eer had dezer Kamer toe te zenden. Ik meen, na de redenaars, die daarover spraken, gehoord te hebben, ook nu nog dat de Grondwet vrijlaat. Wanneer de geachte spreker uit Utrecht bij die gelegenheid zich heeft beroepen op de derde alinea van dat art. 147, dan zou ik meenen daartegen te kunnen aanvoeren dat dat derde lid, vergeleken met de twee vorige, eer pleit tegen die meening, welke de geachte spreker voorstaat, dan dat het ton gunste daarvan zou kunnen worden aangevoerd. In die derde alinea van art. 147 wordt gezegd: „Eene algemeene wet regelt de uitzondering op het vereischte van zoodanige verklaring ten behoeve van vestingbouw en den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, besmetting en andere dringende omstandigheden." Ondersteld dus dat de Grondwet wil, dat, in den regel, de bijzondere pereeelen door de wet worden aangewezen, dan zou, in de bij dat derde lid var. art. 147 bedoelde gevallen, die aanwijzing bij de wet niet noodig zijn. Maar waarom zou die aanwijzing dan hier niet evenzeer te pas komen als elders? De meeste van die gevallen, die begrepen zijn in het derde lid van art. 147, zijn geen gevallen waar spoed noodig is. De grond van de bepaling van dat derde lid is, meen ik, deze: in die gevallen spreekt het algemeen nut van zelf. Men zou, bij overdracht van een in andere gevallen onder de rechtsgeleerden gebruikelijk Latijnsch woord, kunnen zeggen: ulilitatem publicam in se habet. Wanneer nu de Grondwet wilde, dat de wet de bijzondere pereeelen aanwijze, dan zou de Grondwet niet voor dergelijke gevallen die uitzondering behooren te maken. De reden van dat derde ^lid is op de aanwijzing van die bijzondere pereeelen niet toepasselijk, maar wel op de voorafgaande verklaring van het algemeene nut, dat geacht wordt onteigening te vorderen.

Sluiten