Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht was, stelde, zoo ik mij wèl herinner, dat de rechtbank drie deskundigen zou benoemen. Daarop is in de Tweede Kamer de aanmerking gemaakt, dat men, volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met één deskundige kon volstaan. Ik heb er geen bezwaar hoegenaamd in gezien, de bepaling van het ontwerp te wijzigen zooals zij nu luidt; ik heb er zelfs niet aan gedacht, dat dit tot bezwaar aanleiding zou kunnen geven. Bij het ontwerp is nu voorgesteld, dat de rechter deskundigen benoemt in oneffen getale, dat hij er ook, gelijk in andere private zaken, één kan benoemen. Ik vraag, Mijne Heeren, of het met het oog op zoo velerlei onteigeningszaken die kunnen voorkomen, noodig is aan den rechter de verplichting op te leggen, altijd drie deskundigen te benoemen. Wanneer bijv. een strookje land van een paar ellen lengte moet worden onteigend om het een of ander werk tè verbreeden, zal de rechter daarvoor drie deskundigen moeten aanwijzen? Het kan ook wezen, dat drie deskundigen in een bepaald geval niet te vinden zijn. Wanneer er vijf, zeven, een en twintig deskundigen noodig zijn, dan mag men, geloof ik, volkomen vertrouwen, dat de rechter zich niet zal vergenoegen met één deskundige. Hij zal dit alleen dan doen, wanneer hij er zich mede vergenoegen moet, wanneer hij gelooft, dat hij door dien éénen voldoende zal worden voorgelicht. Het is overdreven, Mijne Heeren, in deze bepaling eenig gevaar te zien. Ik zou het haast noemen miskenning van den rechter. Wanneer wij in dit opzicht den rechter niet meer kunnen vertrouwen, dan behooren wij hem ook in andere gevallen ter zijde te stellen, en de vereischte waarborgen elders te zoeken.

Ik kom nu tot het hooger beroep. De rechter zal altijd moeten beslissen over de schadeloosstelling; daarin is de groote waarborg gelegen. Maar zal men nu bij hooger beroep kans hebben eene betere begrooting van de schadeloosstelling te verkrijgen? Ik zie geen grond om dit te denken. Ja, er kan verscheidenheid van oordeel zijn; maar zal, ten gevolge van het opwekken van die verscheidenheid, het vonnis juister worden?

De geachte spreker uit Groningen heeft een ander bezwaar, met betrekking tot de procesorde. Het drukt op art. 26. Volgens dat artikel kan de onteigenende partij zich in hooger beroep voorzien tegen de uitspraak des rechters, houdende nietigverklaring van de dagvaarding of ontzegging van den eisch om eenige andere reden. Derhalve, zoo zegt de geachte spreker, zal de eischer de bevoegdheid hebben om zich in hooger beroep te voorzien, de andere partij niet. Manr de andere partij zal in dit geval hoegenaamd geen belang hebben bij een hooger beroep. En waartoe zal men het recht tot hooger beroep geven, daar waar geen belang is om het uit te oefenen? Evenwel er is geene uitsluiting. De bepaling is algemeen, want het artikel zegt: „Tegen de uitspraak des regters, houdende nietigverklaring van de

Sluiten