Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagvaarding of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt hooger beroep toegelaten."

De geachte spreker heeft gemeend, dat gezworenen hier te verkiezen zouden zijn boven de rechtbank van eersten aanleg. Zijn stelsel ten aanzien van de gezworenen hangt samen met zijn verlangen, om gezworenen ook op een ander gebied van rechtspleging ingevoerd te zien. Ik zal dit vraagstuk — de geachte spreker zal mij dit veroorlooven — hier voorbijgaan. Hetgeen hier te pas kan komen ware aan te wijzen, dat het oordeel van de gezworenen doorgaans meer waarborgen zoude opleveren voor de juistheid van de begrooting der schadeloosstelling, dan het oordeel van den rechter. En dit kan ik niet aannemen. Ik geloof, dat de ondervinding het tegendeel heeft geleerd, vooral in Frankrijk. Wat gebeurt daar? In streken, waar de openbare meening tegen werken van publiek nut is, wreekt men zich, bij den aanleg van zoodanig werk, door eene ontzaglijke hooge schadevergoeding, buiten alle billijkheid, buiten alle redelijke maatstaf, toe te kennen. De begrooting der schadevergoeding hangt daar af van gunst en ongunst, van vooroordeel. Ik geloof niet dat men bij den rechter daaraan is blootgesteld.

De geachte spreker heeft er eenige malen op gedrukt, dat maatschappijen niet altijd te vertrouwen zijn. Ik wensch dat men, sprekende van maatschappijen, niet uit het oog verlieze, dat wij hier altijd te doen hebben met een werk, dat door de wetgevende macht is verklaard te zijn een werk van algemeen nut, en waarvan de aard, de richting en de strekking bij de wet zijn omschreven. Hetgeen de maatschappij te doen heeft, komt dus op niets anders neer dan op uitvoering, zoo de uitvoering van Gouvernementswege aan de maatschappij is toegestaan. De nadeelen, die de bijzondere eigenaar zou kunnen lijden, zijn dus dezelfde, als wanneer het Gouvernement de uitvoering van het werk op zich nam. De vormen, die in acht moeten worden genomen, de grenzen, die niet mogen worden overschreden, zijn alle beschreven in de wet, en zij kunnen evenmin worden ter zijde gesteld door de maatschappij, aan wie de uitvoering is opgedragen, als door het Gouvernement zelf.

In art. 43 heeft de geachte spreker eene schending gezien van een verkregen recht. In de tweede alinea van art. 43 staat: „Hij heeft geen regt, de betaling zijner geheele schuldvordering te eischen, wanneer slechts een gedeelte van het verhypothekeerde goed onteigend wordt." Dit is een recht, dat de wetgever in het belang van de onteigening schenkt, gelijk hij, in datzelfde belang, geene oproeping tot vrijwaring toelaat. Er bestaat, bij voorbeeld, een contract, dat een goed of recht nimmer zal overgaan, of niet dan in eene bepaalde orde. Dan zou op dat recht, dat moet kunnen worden bemachtigd, zal een werk van publiek nat worden tot stand gebracht, de aanleg van dat werk afstuiten, althans zoolang dit contract bestaat. Er zouden andere belein-

Sluiten