Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merende voorwaarden kunnen gemaakt zijn. Maar om dit te boven te komen, daarvoor juist dient deze wet, dient het eminente recht vnn onteigening. Deze wet dient juist 0111 te verzekeren, dat, hetzij liet gelde bezit van een goed, hetzij een zakelijk recht, afstand verkregen worde, wanneer de wet, onder voorwaarde van behoorlijke schadeloosstelling, het openbare nut heeft verklaard.

In art. 69 tweede alinea, vergeleken met art. 72, heeft de geachte spreker uit Groningen eene schennis van art. 131 der Grondwet gezien. Art. 69 alinea 2 zegt: „In zeer dringende gevallen kunnen de gemeentebesturen hiertoe overgaan, mits van hun besluit binnen twee maal vier en twintig uren aan Gedeputeerde Staten kennis gevende." En de laatste alinea van art. 72 zegt: „Dc schadeloosstelling wordt door het bestuur, met de onteigening belast, voorgeschoten en komt ten laste van den Staat. In die provinciën echter, waar provinciale belastingen tot het te keer gaan der besmetting worden geheven, komen de kosten ten laste der provincie." In dat geval zal dus door de gemeentebesturen over fondsen van de provincie kunnen worden beschikt, zoo heeft de geachte spreker gezegd. Maar, Mijne Heeren, wat geschiedt hier? Hier wordt voor dringende gevallen eene beschikking vergund aan de gemeentebesturen in eene aangelegenheid, die geenszins eene gemeenteaangelegenheid is, maar wellicht een algemeen belang en gewis een belang dor provincie. Nu zal het gemeentebestuur kunnen doen, hetgeen anders Gedeputeerde Staten doen, of de Koning doet. In zulke dringende gevallen doet het gemeentebestuur inderdaad hetgeen door Gedeputeerde Staten of den Koning zou zijn gedaan, indien de tijd had toegelaten dat Gedeputeerde Staten of het algemeen Gouvernement zoodanig besluit namen.

De geachte spreker uit Friesland (de heer de Kempenaer) is teruggekomen op het bezwaar, dat ik meen reeds te hebben beantwoord. Er komt geene onteigening te pas, heeft hij gezegd, van roerend goed, in geval van besmetting. Wanneer men hier niet op de Grondwet te letten bad, wanneer men hier had te doen met het opstellen van een tractaat over het recht van onteigening; ik zou het den geachten spreker toegeven. Maar de Grondwet verplicht niet tot eene onderschei ling tusschen 'roerend en onroerend goed. Integendeel wordt de meening van den geachten spreker uitgesloten door den regel: ubi lex non distinguit, nobis non est distinguendum. Wanneer de Grondwet zoodanige regelen voorschrijft, als bij art. 147 geschied is, en men zegt, ingeval bijv. onteigening van specie noodig is om een dijk te herstellen, of onteigening van vee moet plaats hebben, om besmetting te keer te gaan, dat dit mag geschieden zonder vormen, zonder voorafgaande schadeloosstelling, dat dit onder de waarborgen van art. 147 der Grondwet niet begrepen is, — ik geloof, men veroorlooft zich dan meer dan waartoe de uitlegger der Grondwet vrijheid heeft. Art. 70 heeft een bezwaar opgeleverd. De geachte spreker uit Friesland

Sluiten