Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het doel tot vermeerdering van de ruchtbaarheid, die immers niet voor vermeerdering vatbaar is.

4. Smaad gepleegd in publiek gemaakte geschriften of afbeeldingen wordt volgens het tweede lid van het artikel onder den naam van smaadschrift strenger bestraft.

De dader die in een geschrift of eene afbeelding een bepaald feit telastlegt, die dat doet om zoodoende ruchtbaarheid aan het feit te ge\en, moet verwachten dat het geschrift of dc afbeelding voor verspreiding, aanslaan of tentoonstelling bestemd is, zoo hij al niet zelf er die bestemming aan geeft. Een geschrift, door den schrijver niet voor openbaarheid of verspreiding bestemd, kan voor hem nimmer een smaadschrift zijn.

5. Omtrent het voor het misdrijf gevorderde opzet heeft bij de behandeling van de wet verwarring geheerscht. Geene beleediging bestaat volgens de Memorie van toelichting zonder opzet om te beleedigen, m. a. w. iemand moet beleedigd zijn en een ander moet hebben willen beleedigen. Maar zij laat er op volgen dat het voornaamste vereischte voor beleediging is de aanwezigheid van den animus injuriandi, van het oogmerk, hetzij om iemands eergevoel, hetzij om in de oogen van een ander iemands eer te krenken; dus nevens de handeling die de beleediging moet veroorzaken slechts de bedoeling om te beleedigen zonder dat die handeling het beoogde doel behoeft te treffen. In dien geest was ook de wetsbepaling oorspronkelijk gesteld.

Dit gebruik van opzet en oogmerk naast en door elkander bracht de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer van de wijs; zij zocht in oogmerk om te beleedigen iets nevens en buiten het opzet tot beleedigen, en kwam zoo tot de opvatting dat met dit oogmerk bedoeld was het motief van den dader, datgene wat hij door de beleediging zoekt te verkrijgen. Zulk een oogmerk nu wenschte zij niet als element van het misdrijf; ook al was het den dader te doen om zedelijke verbetering of bevordering van het publiek belang, de beleediging is er niet minder eene beleediging 0111, waartegen bescherming door de strafwet verleend behoort te worden.

De opmerking der Commissie was juist, maar vond hare oorzaak enkel in een verkeerd begrip van de Memorie van toelichting, waartoe deze zelve trouwens aanleiding gaf.

De Minister van justitie constateerde nu dat men het omtrent den animus injuriandi eens was, en dat er slechts een redactieverschil bestond. Dit was tot zekere hoogte minder juist; de aanmerking betrof meer de toelichting, omdat deze naar het oordeel der Commissie het

Sluiten