Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„op den bij de Commissie gerezen twijfel, eischt uitdrukkelijke oplossing in de wet."

Over de vraag laat zich, dunkt mij, niet twisten; zij moet bevestigend beantwoord worden om den regel die door den Minister zeiven anders steeds op den voorgrond wordt gesteld: motief en doel hebben in beginsel met de strafbaarheid van een feit niets te maken, raken niet het opzet l).

Evenmin als de bedoeling om eenen behoeftige te helpen met het gestolene aan de wegneming het karakter van diefstal kan ontnemen, kan het werken in het publiek belang de beleediging opheffen. Maar wat dit wel kan, is den wetgever aanleiding geven om een feit dat op zich zelf misdrijf is in het bijzondere geval niet strafbaar te verklaren. Overweging van de noodzakelijkheid van dergelijke uitzondering leidde op meer plaatsen tot straffeloosverklaring, in bijzondere gevallen zoowel als bij wijze van algemeene opheffing van strafbaarheid. En nu is er zeker veel vóór te zeggen dat hij die in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging handelt vrij blijft van de straf op beleediging gesteld; maar dan moet dat ook uitdrukkelijk gezegd worden.

Zoo zag de Minister in werkelijkheid juist toen hij aan art. 2Gi het derde lid toevoegde, al gaf hij eene onjuiste reden op en al draagt de redactie het kenmerk van den onjuisten gedachtengang die haar ten grondslag lag. Het is toch niet waar, zooals het derde lid zegt, dat er noch smaad noch smaadschrift is in de bedoelde gevallen; het feit verliest er zijnen aard niet door, men heeft het alleen in die gevallen niet strafbaar willen stellen. Do wet kan niet zeggen dat in een bepaald geval het opzet niet bestaat; zij kan het opzet uitdrukkelijk definieeren of stilzwijgend er eene bepaalde beteekenis van erkennen, maar aan de toepassing is overgelaten uit te maken of onder bepaalde omstandigheden het opzet aanwezig is; de wet kan niet zeggen: gij hebt hier het opzet niet, maar wel: ik zal u hier uw opzet niet toerekenen2).

1) Zie D. Siraons, De vrijheid van drukpers in verband met het Wetboek van strafrecht, academisch proefschrift, Leiden 1883, bladz 176 en volg.

De opvatting wordt geschraagd door een arrest van den Hoogen Raad van 4 November 1889, Wbl. 5797, 1'. v. J. 1889, no. 145, waarbij is uitgemaakt dat het derde lid van art. 261 niet van toepassing is op de in art. 266 strafbaar gestelde beleediging. Indien toch waar was dat de bepaling van het derde lid ook ongeschreven moest gelden, zou zij in de gevallen van art. 266 ook moeten worden toegepast.

2) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 8 en 9, blijven in den onjuisten gedachtengang waar zij willen dat in het geval van het derde lid de beklaagde zal worden vrijgesproken wegens gemis van opzet; hij moet worden ontslagen

Sluiten