Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dien persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van de in artikel 28 no. 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

1. De wet kent twee onderscheidene misdrijven van valsche aangifte of klacht; het eene bestaat in de onware aangifte dat een strafbaar feit gepleegd zou zijn (art. 188), het andere in de valsche beschuldiging van eene bepaalde persoon wegens een de eer of den goeden naam van deze aanrandend feit. Zie over het verband van beide misdrijven en het onderscheid aanteekening 1 en 2 op art. 188.

2. Het opzettelijk doen van eene valsche klacht of aangifte tegen eene bepaalde persoon sluit in de wetenschap dat de telastlegging niet waar is. Daarvoor is niet noodig dat de inhoud der telastlegging niet waar is in zooverre dat het daarbij genoemde feit in het geheel niet is gepleegd; ook een waar feit kan telastgelegd zijn aan eene persoon die het niet gepleegd heeft l); feitelijk bestaat het misdrijf dus in het tegen beter weten iemand van iets beschuldigen en wel in eene bij de overheid ingediende schriftelijke klacht of aangifte of in eene mondelinge klacht of aangifte op initiatief van den dader in geschrift gebracht.

3. Art. 188 is bepaaldelijk geschreven voor strafbaarstelling van misleiding van de justitie, niet van andere staatsmachten. Ofschoon nu in art. 2ü8 evenals daar wordt gesproken van klachte of aangifte, mogen die woorden hier niet opgevat worden in den beperkten zin van klacht of aangifte bij de politie of de justitie, welken zin zij in den regel hebben, maar hebben zij èn wegens den aard der feiten, die meer dan strafbare feiten omvatten, èn wegens de algemeene aanduiding van de staatsmacht die de klacht of aangifte ontvangt, de overheid, eene ruimere beteekenis, zoodat er elk beklag, alsmede het aanklagen in algemeenen zin onder begrepen is.

Onder de overheid zijn alleen publiekrechtelijke lichamen of personen begrepen. Er mag geen onderscheid gemaakt worden tusschen hoogere en lagere ambtenaren. De veldwachter, volgens art. 12 Wetboek van strafvordering bevoegd aangiften van strafbare feiten te ontvangen, is in den zin van deze bepaling overheid.

!) Vgl. Hooge Haad 28 Maart 18(J2, Wbl. 1J. v. J. 1892, 110. 55.

Sluiten