Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuldige wegens gelijk misdrijf' onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van de in artikel 2b9 en het tweede lid van artikel i27() aangewezen personen.

1. Over de bestanddeelen van liet misdrijf zie aanteekening 1—5 op art. 113.

2. Geldt het feit eenen levende dan is het strafbaar zoo de inhoud van het geschrift of de afbeelding beleedigend is, d. i. valt onder art. 261 of 266; ten aanzien van overledenen moet hij smadelijk zijn, d. i. aan de materieele vereisehten van smaadschrift voldoen.

Het is niet noodig dat op het geschrift of de afbeelding eene vervolging wegens beleediging, resp. smaadschrift gegrond zou kunnen worden; het opzet van den vervaardiger, de omstandigheden waaronder een geschrift alleen beleediging kan opleveren (openbaarheid, aanbieden, toezending, voor de afbeelding tegenwoordigheid van den beleedigde) komen hier niet in aanmerking; de inhoud moet zoodanig zijn dat hij vervolging niet zou uitsluiten.

Op de bepaling van art. 261 derde lid kan de verspreider dus geen beroep doen om te bewijzen dat de vervaardiger niet strafbaar zou zijn; de smadelijke inhoud wordt daardoor niet getroffen.

Ook voor hein en zijn eigen motief is die bepaling niet geschreven omdat hij zelf een ander misdrijf pleegt dan dat van smaadschrift l).

3. I it het feit dat wel hier en in art. 261, niet in art. 266 afbeeldingen zijn genoemd heeft men, op grond dat hot misdrijf van verspreiding niet anders zou zijn dan begunstiging van smaadschrift of beleediging, willen afleiden dat eigenlijk gelezen zou moeten worden: geschrift van beleedigenden of afbeelding van voor eenen overledene smadelijken inhoud.

Daargelaten dat beleediging door middel van afbeeldingen niet is uitgesloten in art. 266 (zie aanteekening 1 aldaar) en verspreiden een geheel zelfstandig misdrijf is waaraan geen ander behoeft ten grondslag te liggen, zoodat het niet het karakter van begunstiging heeft (zie vorige aanteekening) besliste de Rechtbank te Dordrecht terecht dat

J) Rechtbank Amsterdam 3 Februari 1903, Wbl. 7952. xoyox, Hel Wctb. v. Stra/r., III, 2e druk.

4

Sluiten