Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iemand van zijne vrijheid berooven zal in het algemeen zeker eene wederrechtelijke handeling zijn. Echter kan ook hier een hooger recht dat van den beroofde doen wijken, bijv. wanneer een krankzinnige zijne eigene of eens anders vrijheid bedreigt, of de opvoeding van een kind opsluiting vordert. Evenzoo voorziet art. 464 in een geval van ambtelijke vrijheidsrooving die wel in strijd is met een voorschrift van het Wetboek van strafvordering, maar wegens het bestaan van eenen wettigen grondslag niet als wederrechtelijk beschouwd kan worden.

Het opzet moet ook in wetenschap van de wederrechtelijkheid blijken.

5. De bepalingen van art. 282 zijn ook toepasselijk op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsrooving eene plaats verschaft. Met deze bepaling van het laatste lid is voor eenen bepaalden vorm van medeplichtigheid afgeweken van art. 48; zij wordt in de Memorie van toelichting enkel verdedigd met de opmerking dat de straf hier dezelfde behoort te zijn als voor de vrijheidsrooving, eene opmerking die eigenlijk geene reden geeft.

Door deze bijzondere bepaling is nu ook de toepasselijkheid van art. 48 en 49 op het bij haar bedoelde geval volledig uitgesloten. Alle andere vormen van medeplichtigheid dan de hier genoemde worden naar de gewone regelen behandeld.

Is de vrijheidsrooving niet bepaaldelijk gebonden aan opsluiting in eenige ruimte, ook het verschaffen van plaats is dus niet juist het in gebruik geven van een opsluitingslokaal maar kan ook bestaan in het verleenen van toegang tot een terrein waar de vrijheidsrooving bijv. door knevelen plaats vindt.

Slaat nu het laatste lid alleen op de handeling waardoor iemand van de vrijheid beroofd wordt of ook op de zoodanige waardoor hij er van beroofd blijft'? Ik beantwoord deze vraag in den ruimsten zin. Het woord vrijheidsrooving omvat het eene zoowel als het andere; het tusschen berooven en beroofd houden gemaakte onderscheid brengt niet mede dat onder vrijheidsrooving niet evenzeer voortgezette als aangevangene inbreuk op de vrijheid te verstaan zou zijn.

6. Voor de bijkomende straf zie art. 286.

Artikel 283.

Hij aan wiens schuld te wijten is dat iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd wordt of beroofd blijft, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Sluiten