Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het niet alle elementen met diefstal gemeen had. Nu bestaat er in werkelijkheid slechts een verschil in naam. Niemand zal toch beweren dat het oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening voor toepassing van art. 310 andere vereischten heeft dan voor die van art. 314. En wanneer nu iemand (dit trouwens ten gevolge van latere wijziging) met de strooperij geweld of bedreiging met geweld tegen personen gepaard doet gaan, dan wordt hierdoor weder de aard van het misdrijf gewijzigd, en wordt de inbreuk op het occupatierecht weder eene inbreuk op het eigendomsrecht. En dit is niet het gevolg van den samenloop maar berust op een beginsel: het geweld en de bedreiging doen op zich zelve volgens de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer het feit van karakter veranderen 1).

Kende men deze zonderlinge motiveering niet, dan zou de vergelijking van art. 314 en 310 tot deze gevolgtrekking mogen leiden: de voorwerpen in art. 314 genoemd zijn van dien aard, dat de wegneming aan het begrip van diefstal onttrokken wordt; die wegneming wordt als strooperij gestraft wanneer zij niet van geweld of bedreiging met geweld vergezeld is, vermits zij nu geenen diefstal kan opleveren, is zij niet strafbaar, wanneer zij met geweld of bedreiging gepleegd wordt.

Meer logisch en consequent ware zeker geweest strooperij met geweld of bedreiging onder te brengen bij art. 315.

2. Van eenig verband tusschen de wegneming en het geweld of de bedreiging in den geest der bepaling van art. 312 wordt hier niet gesproken; het eenige dus wat noodig is om strooperij tot diefstal te maken is dat zij gelijktijdig met het geweld of de bedreiging gepleegd wordt; tegenover „zonder" staat toch „met", en dan niet het „met" van art. 180 dat de beteekenis heeft van „door" maar enkel het conjunctieve daar toch niet door middel van geweld of bedreiging iets weggenomen kan worden.

Implicite wordt hier dus eigenlijk eene tweede soort van diefstal geschapen, en men mag voor de bepaling van diefstal niet enkel met art. 310 te rade gaan: schuldig aan diefstal is hij die met oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening met geweld of bedreiging met geweld tegen personen wegneemt een der voorwerpen in art. 314 genoemd, hem niet toebehoorende, of met of zonder geweld of bedreiging andere hem niet toebehoorende goederen.

3. Reeds voor de toepassing van art. 18 der wet van 29 Juni

l) Smidt II, eerste druk 486, tweede druk 511.

Sluiten