Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misdrijven dicht tot elkander kunnen naderen wanneer het laatste met geweld of bedreiging gepaard gaat, ligt hierin dat bij diefstal de overgang van bezit het onmiddellijke gevolg is van de verrichting van den dader, de wegneming, terwijl zij bij afpersing het gevolg is, alleen of mede, van de daad van den gedwongene.

Afgifte is in het algemeen de daad van hem op wien de dwang wordt uitgeoefend; echter behoeft zij niet juist zijne fysieke handeling te zijn, in zooverre als het doen afgeven er onder vallen kanl), en dit niet alleen, maar ook het gedoogen van wegneming, zie aauteekeniug l op art. 310.

8. Het goed waarvan de afgifte verkregen wordt moet geheel of ten deele aan den gedwongene of eenen derde, dus in elk geval aan een ander dan den dader toebehooren, zonder dat het noodig is dat de dader weet bij wien de eigendom berust, evenmin als dit trouwens bij diefstal of verduistering noodig is 2).

Het goed kan ook ten deele aan den dader toebehooren die dan hetzij het gebruik van het goed, hetzij den eigendom van het geheel voor zich of dien van het hem niet toebehoorende aandeel voor een ander beoogen kan; het goed moet dan in het bezit of onder liet bereik van den gedwongene zijn.

9. Het misdrijf wordt volgens het tweede lid verzwaard indien het vergezeld gaat van de omstandigheden in het tweede en het derde lid van art. 312 genoemd. Omtrent de omstandigheid, dat het feit gepleegd wordt door vereenigde personen, zie aanteekening 4 op art. 311.

10. Voor de bijkomende straf zie art. 320.

Artikel 318.

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te hevoordeelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot liet aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld,

1) Vgl. Hooge Raad 27 April 1896, Wbl. 6805, 1'. v. J. 1896, no. 49.

2) Polenaar en Heemskerk aanteekening 7.

Sluiten