Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting tot geheimhouding, en juist wegens dit onderscheid wijziging gebracht in het opschrift van titel 17 ; zie aanteekening 1 op art. 2721).

4. Het misdrijf is slechts op klacht vervolgbaar. Hij tegen wien liet misdrijf gepleegd is kan hier niet zijn de eigenaar van het afgegevene goed als zoodanig noch ook degene wiens geheim geopenbaard zou worden, maar hij op wien de bedreiging als dwangmiddel is aangewend. Anderen kunnen wel belang bij de zaak hebben maar zijn niet degenen tegen wie het misdrijf gericht is en aan wie alleen de beoordeeling van de wenschelijkheid der vervolging toekomt.

5. Voor de bijkomende straf zie art. 320.

Artikel 319.

De bepaling van art. 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

Daar reeds bij art. 318 het daar behandelde misdrijf onder alle omstandigheden tot klachtdelict is gemaakt, slaat art. 319 slechts op art. 317.

Omtrent de persoon tegen wie het misdrijf gepleegd is zie aanteekening 4 op art. 318; het daar gezegde geldt ook voor art. 317.

Artikel 320.

Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

*) Dit is uit het oog verloren door het Gerechtshof te Leeuwarden in zijn arrest van 25 September 1890, Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 533. In het daarbij behandelde geval zou overigens alleen met openbaring van een geheim gedreigd kunnen zijn ingeval het feit dat openbaar gemaakt zou worden werkelijk gepleegd was.

Sluiten