Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de mogelijkheid om op elke wijze te beschikken. De houder zal bijv. den inhoud eerst kunnen gebruiken of verdeelen na zich toegang tot het inwendige der omsluiting verschaft te hebben, maar dit sluit geenszins uit dat hij over den inhoud beschikken kan; zie ook aanteekening 5 op art. 3111).

5. Door de woorden „anders dan dooi' misdrijf" wordt slechts éene wijze van verkrijging uitgesloten. Wanneer nu bedrog, bedreiging of geweld het middel tot verkrijging is geweest doch op het geval niet toepasselijk is eenige bepaling omtrent strafbare verkrijging door een dier middelen, wanneer daarom een der elementen van oplichting, afpersing enz. ontbreekt, dan kan men niet zeggen dat noch wegens een dier misdrijven, noch wegens verduistering veroordeeld kan worden, maar wordt juist door de uitsluiting van de toepasselijkheid dezer bepalingen de hier bedoelde voorwaarde voor verduistering vervuld.

„Anders dan door misdrijf' is overigens eene qualificatie; bij dagvaarding moet worden uitgedrukt de wijze waarop de dader liet goed onder zich gekregen heeft2).

Is voor verduistering noodig dat de toeëigening wordt voorafgegaan door de bezitsverkrijging, dit neemt niet weg dat het voornemen tot toeëigening reeds vooraf mag hebben bestaan en de bezitsverkrijging het gevolg kan zijn van eigene daden van iemand die deze als middel tot de toeëigening bedoelde en gebruikte, mits maar de wijze van verkrijging eene niet strafbare was3).

6. Voor de bijkomende straf zie art. 325.

!) In het geval behandeld bij arrest van 27 Augustus 1895, Wbl. 6712, I . v. J. 1S95, no. 80, werd door den Hoogen Raad diefstal aangenomen, niet omdat de dader de kist wel, den inhoud niet, maar juist omdat hij noeh het een noch het ander onder zich had. En het door den Advocaat generaal Gregorv aan het slot zijner conclusie gebezigde voorbeeld: verduistering wanneer door iemand in een hotel een geslotene portefeuille met geld aan den hotelhouder ter bewaring is ter hand gesteld, diefstal wanneer het geld door den eigenaar in zijnen koffer wordt bewaard, komt mij ter beantwoording van de hier behandelde vraag niet afdoende voor. Kr moet immers eerst worden uitgemaakt of de hotelhouder geacht kan worden de in zijn hotel gebrachte koffers onder zich te hebben. Heeft hij ze niet onder zich, dan kan hij ten aanzien ook van den inhoud slechts diefstal plegen; heeft hij ze wel onder zich dan maakt het geen verschil of er iets aan zijne persoonlijke zorg is opgedragen; de wet vraagt er immers niet naar op welke wijze iemand iets, anders dan door misdrijf, onder zich heeft gekregen.

2) Hooge Raad 15 Februari 1897, Wbl. «931, P. v. J. 1897, no. 25.

3) Rechtbank Groningen 12 September 190), P. v. J. 1901, no. 93.

Sluiten