Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarentegen is nu voor het misdrijf noodig het oogmerk van den dader om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen; zie daarvoor aanteekening 1—4 op art. 317.

Intusschen wordt hier niet gevorderd de afgifte van goed dat aan een ander toebehoort. Terwijl nu art. 317 niet (art. 284 1° wel) toepasselijk kan zijn bijv. op de handeling die leidt tot afgifte van des daders eigendom dat een ander in pand heeft, zal die wel onder art. 326 kunnen vallen. Ook onder art. 405 Code pénal zou dit feit niet vallen omdat liet niet medebrengt het zich meester maken van eens anders bezittingen.

Het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordeelen sluit van zelf in het oogmerk tot benadeeling van een ander door de verkregene afgifte. Daarom moet ook de dader meenen dat de afgifte eenig nadeel hetzij voor den afgever hetzij voor eenen derde!) zal medebrengen, ook al wordt dan het eigene goed van den verkrijger afgegeven. Vgl. aanteekening 3 op art. 310 en 1 op art. 317.

4. De eigenaardige constructie van art. 405 Code pénal leidde tot eene bijzondere opvatting ten aanzien van de vereischten voor poging tot oplichting die door de jurisprudentie eerst werd aangenomen bij gevolgde afgifte, waarvan het verkrijgen was het begin van uitvoering van de escroquerie, terwijl het enkele aanwenden der middelen slechts als voorbereidende handeling werd aangemerkt.

Naar ons wetboek voltooit de afgifte het misdrijf'-); het zwaartepunt der bepaling van hetgeen poging uitmaakt verplaatst zich dus. Nu is het de vraag of het aanwenden van een der middelen in art. 326 genoemd reeds poging is dan wel als voorbereidende handeling beschouwd moet worden; in het laatste geval zou er van poging tot oplichting geene sprake kunnen zijn omdat er niets ligt tusschen de aanwending van het middel en haar gevolg, de afgifte: degene tegen wien het misdrijf gepleegd wordt is toch eerst tot de afgifte bewogen wanneer hij afgeeft.

Wordt nu het gebruik van de middelen aan het vereischte van poging in tegenstelling met de voorbereidende handelingen, zooals dat gesteld werd in aanteekening 7 op art. 45, getoetst, dan is het besluit dat dit gebruik reeds poging oplevert; immers om daarna terug te treden moet men dat gebruik ongedaan maken door van het ver-

!) Niet juist de afgever behoeft de benadeelde te zijn, Rechtbank Amsterdam 24 Januari 1902, P. v. J. 1903, no. 212.

2) Noch verzekering van eigendom, noch overgang van volledig bezit is noodig, Rechtbank Amsterdam voormeld.

Sluiten