Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het komt mij vóór «lat de praemissen hier de conclusie geenszins wettigen. Waar sluit de wet van het begrip van merk uit eene algemeen verkrijgbare afbeelding? Kan dan de afbeelding van de beurs van Amsterdam, het standbeeld van de Ruyter of zoo menige andere die in den handel is, als merk gewraakt worden? En waaruit volgt dat eene bekende afbeelding, wanneer iemand die tot zijn handels- of fabrieks-merk maakt, niet dienstig zou kunnen zijn om zijne waar te onderscheiden van die van anderen?

De vlugheid of handigheid van hem (zegt de Rechtbank verder) die het eerst een bepaald portret van de Koningin machtig weet te worden en te doen inschrijven, zou in ontwijfelbaren strijd met de bedoeling en den wil waaruit art. 3 der merkenwet is voortgekomen uitsluitend aan die persoon het recht van debiet van de waar onder bescherming van dat portret verzekeren, wat op zich zelf al niet aannemelijk zou zijn naar de wet.

Dat wie het eerst het merk laat inschrijven daarop uitsluitend recht heeft, volgt uit de wet maar is niet met haar in strijd. En uit niets volgt dat hetgeen in het algemeen als publiek domein (zooals de Rechtbank zich uitdrukt) beschouwd moet worden niet voor een bepaald gebruik zou mogen worden gemonopoliseerd; de bepalingen der merkenwet zijn juist daarop gegrond.

6 De wet verbiedt nevens het gebruiken ook het nabootsen van eens andere merk zij het ook met eene geringe afwijking. De laatste woorden zijn eigenlijk overtollig: wanneer gebruiken en nabootsen tegenover elkander gesteld worden kan onder het eerste slechts verstaan worden het gebruiken van een merk dat geheel gelijk is aan dat van een ander, en wordt het laatste daardoor het gebruik van een merk dat eenigszins van een ander afwijkt maar in hoofdzaak daarmede overeenkomt!).

In hoeverre nu de afwijking het merk van een ander doet verschillen zoodat het niet meer als eene nabootsing te beschouwen is, hangt van omstandigheden af. Meermalen is die vraag in concreto aan de beslissing des rechters onderworpen. Het daarbij toe te passen beginsel is hetgeen door de Regeering in haar antwoord op het voorloopig verslag der Tweede Kamer over het ontwerp dat de wet van 25 Mei 1880, Stbl. 85, geworden is, aangaf: „de vraag hoeverre de „afwijking moet gaan vindt in de ratio hare beantwoording: zoover dat het publiek niet misleid wordt" 2).

') De wet van 1880 sprak evenals dit artikel van geringe afwijking, die van 1893 eischt overeenstemming in hoofdzaak; evenzoo het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900).

2J Smidt II, eerste druk 550, tweede druk 582.

14*

Sluiten