Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op zich zelf bewijst dit echter niet de onjuistheid der beslissing, maar het komt mij vóór dat deze berust op eene onjuiste opvatting van aanspraak maken op eene erkenning, wat overigens de juiste omschrijving is van doen gelden. Ten gevolge van rectificatie is volgens het arrest de aanspraak niet blijven bestaan, maar dat bewijst juist dat zij bestaan heeft, dat zij gemaakt is, het eenige wat de wet vordert. En de Hooge Raad verliest m. i. uit het oog de door hem zeiven ter sprake gebrachte gelijkstelling met voorwenden; men kan toch wel niet beweren dat iemand die eene geheel ongegronde vordering ter verificatie heeft aangeboden die niet zou hebben voorgewend, al ziet hij later van de verificatie af.

De Memorie van toelichting doet hier nog een argument aan de hand. Volgens haar behoefde nu niet gelijk in de wet van 1837 gesproken te worden van de volharding bij eedspraestatie, daar deze ongetwijfeld valt in de bepaling van meineed. De ontwerpers zagen dus in de eedspraestatie een nieuw misdrijf, en erkenden daardoor in het voorafgaande reeds dat van art. 344 20, terwijl volgens de leer van den Iloogen Baad het niet afleggen van den eed, het terugschrikken voor het misdrijf van meineed, zou uitwerken dat ook het vroeger verrichte geen misdrijf is, zoodat ten slotte wanneer de eed wordt opgelegd het afleggen daarvan eerst het misdrijf zou voltooien; maar dan kan het ook op zich zelf geen misdrijf zijn.

Het indienen van de vordering bij den curator is dus het misdrijf. In óen geval slechts is er meer noodig, in dat van art. 127 eerste lid der Faillissementswet; daarbij is indiening niet genoeg tot het verkrijgen van verificatie, het moet gevolgd worden door een ter vergadering gedaan verzoek; blijft dit achterwege dan is er nog geene handeling met eenig rechtsgevolg verricht, en het feit is wegens vrijwillig terugtreden eene niet strafbare poging. Het indienen van vorderingen na den uitersten termijn van het eerste lid kan volgens het tweede nimmer tot verificatie leiden, en kan dus niet liet voorwenden of tot verhoogd bedrag doen gelden bij verificatie uitmaken.

Onder de strafbepaling valt voorts niet het valschelijk opgeven van voorrang of rententierecht; dit raakt noch het bestaan noch het bedrag der vordering.

G. Ten gevolge der Faillissementswet heeft het artikel eene belangrijke uitbreiding verkregen daar het nu niet meer alleen toepasselijk is op schuldeischers van kooplieden, wat vroeger door de beperking tot gerechtelijken boedelafstand van eenen koopman en faillissement wel het geval was.

Ook hier is de gerechtelijke boedelafstand behouden evenals in art. 340 en 341, opdat feiten ten aanzien van eenen boedel, waarvan

Sluiten